Frankevoort - toponiemen

Naam:

 

Armenlant

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Cornelissen signaleert dit toponiem op verschillende plaatsen in Veghel.

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Samenstellingen met armen - wijzen op goederen die eigendom waren of zijn van de COO, vroeger Tafel van de H. Geest genoemd. In de 19e - 20e eeuw zijn de H. Geest - door de armentoponiemen verdrongen (Molemans, 1976a, blz. 75).

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 14-17

Opmerkingen:

 

Genoemd naar de Tafel van de Heilige Geest van den Bosch die deze percelen rond 1700 in bezit had.

 

 

 

 

Naam:

 

aent Beukelaar

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Et de mansu seu bonis dictum ten buekelaer [GVIE-2 (1374)]

 

de hoeve 't goet op beukelaer [BP1187-101v (1411)]

 

ad locum dictum aent beukelair, aent beuchelair in die Heze [Hs- (± 1500)]

 

aent buekeler in verrenberch [Mrv23-110 (1533)]

 

buuckelaar [GVE2-52 (1702)]

 

27 roijen aent beukelaer [GVEI2-48v (1778)]

 

beukelaar [kad. (1832); N (1843)]; B 1045, 1046 (w: 92.70), 1139-1273.

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Afleiding met personijicerend suffix -elaar, van beuk. Perceel begroeid met beukebomen

(Hs-). Volgens Van Passen (1967 -133) blijkt een laar in de kempen ovet het algemeen de

betekenis te hebben gehad van onbebouwde (gemeenschaps)grond waarop men het vee liet grazen (Top. v. Neerpelt. M.).

 

Verklaring door Beijers en Van Bussel:

 

Varianten met een verzamelsuffix zijn o.a. Boekt en Bokt en met een tot de lo-formatie behorende uitgang, nl. -el in bv. Beukel.

 

Beuken groeien het beste op leemhoudende vochtige gronden. Het element kan zijn afgeleid van het germ. * boko mnl. boeke, boucke = beuk (Fagus silvatica). De beuk komt zo­wel in het wild als aangeplant voor. De vormen met een verzamelsuffix -t herinneren ons aan middeleeuwse ontginningsactiviteiten, waarbij de ontbossing van het gemengde eiken- en beukenbosarsenaal ter hand werd genomen om meer cultuurgrond voor de akkerbouw te creëren. Deze vorm van ontbossing is al in de vroege middeleeuwen ingezet en naarmate de bevolking toenam werd die intensiever [redactie]. (Buiks 1990:56; Helsen 1978:126.)

 

Laar kan vele betekenissen hebben. Helsen interpreteert het als woeste, onbebouwde gemeenschapsgrond of heide en minderwaardig grasland, waar men de dieren liet grazen en russen kon steken. Ook verstaat men er een intensief benut bos onder. De Bont prefereert de betekenis van omheind terrein, anderen die van een open plek in het bos waar hout gestapeld en gehaald kan worden. Roelants wijst erop dat er van de 14de tot de 16de eeuw verschillende plaatsnamen op -laar zijn ontstaan. Dittmaier neemt als betekenis ‘om­hei­ning’ over, maar voegt eraan toe dat het geen gewone omheining is van bv. een groene haag, maar een van planken en balken, die vooral berekend was op kweekdieren.

 

Smulders vestigt de aandacht op ‘laar’ door diverse voorbeelden te geven van oorspronkelijke laarnamen die evolueerden naar andere schrijfwijzen, bv. Herlaer > Halder, Swelaer > Sweelders, Vellaer > Velder, Geerlaer > Geelders, Hollaer > Holder etc. De FN ‘van Elderen’ verklaart hij  als afgeleid van Ellaer > Elder(en). Hij wijst er op dat toponiemen eindigend op -lder in oorsprong laarnamen geweest kunnen zijn.

 

Tavenier propageert een systematisch onderzoek naar de landschappelijke aard van alle laarvermeldingen. Volgens Theuws komt het element -laar in nederzettingsnamen vooral voor buiten de bevolkingsconcentraties die hij voor het Maas-Demer-Scheldegebied heeft uitgekarteerd. De laarnamen zouden volgens hem in verband gebracht kunnen worden met vochtige, natuurlijke omstandigheden. De macroregionale spreiding lijkt hier op te wijzen. Dat laarnamen niet voorkomen in bv. de valleien van Maas en Schelde zou erop duiden dat een groot deel van deze gebieden al bewoond was toen deze namen werden gevormd en dat ze een latere fase van verdere of interne kolonisatie aangeven. Volgens hem vertegenwoordigen de laarnamen een jongere namenlaag en derhalve jongere bewoning.

 

De Bont geeft voorbeelden afgeleid van boomnamen zoals Mispelaar, Kerselaar, Pruimelaar, Appelaar, No­te­laar e.a. Laar werd soms voorafgegaan door een ‘-h’ en werd dan ‘hla­r’. Het gaat dan om een verwijzing naar een oude door de mens beïnvloede landschappelijke situatie. Waar Gijsseling spreekt over ‘bosachtig moerassig terrein’ voor dit element, meent Blok een verfijning te moeten aanbrengen en spreekt van ‘...een deel van een al of niet moerassig bos, dat door mensen speciaal gebruikt werd om te kappen of om vee in te weiden en dat daardoor een open plek in het bos werd.’ In deze definitie wordt niet een oorspronkelijke natuurlijke gesteldheid aangege­ven, maar juist een oude vorm van menselijke ingreep in de natuur. Als zodanig moet ‘laar’ als veen- en moerasindicator terughoudend worden gebruikt. De Bont veronderstelt dat het kappen van bos voor het aanleggen van akkertjes vanaf de vroege middeleeuwen geleidelijk is verlopen. Soms zullen aanwezige open plekken, de ‘laren’, als uitgangspunt hebben gediend. Door het kappen en plat branden van delen van het bos werd een geschikt gebied langzaam maar zeker van zijn bosbegroeiing beroofd.

 

Helsen 1978; Molemans 1977; Dittmaier 1963; de Bont 1969 dl.3; Gijsseling 1956; Helsen 1944; Buiks 1992:45; Roelandts 1946:­41; Smulders 1952:59; Tavenier 1968:442; de Bo 1881:193; de Bont 1993:72; Blok 1991:24; Theuws 1988:181.

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 6, 14, 17-20

Opmerkingen:

 

-

 

 

 

 

Naam:

 

Braak

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Deze veldnaam kwam in Veghel op meerdere plaatsen voor.

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Land dat braak ligt, of dat moet gebroken – dat is beploegd – worden, geschikt gemaakt om bewerkt te worden in tuimere zin. Ook (meestal) onbebouwd, weinig renderend bouwland (Molemans, 1979-94).

 

Verklaring door Beijers en Van Bussel:

Braak wordt meestal omschreven als braak­liggend stuk grond. Mogelijk is ook de oorspronkelijke betekenis van het woord: ‘breken’ = ploegen. Over het braak liggen van grond zegt Draye: ‘Het drieslagstelsel waarbij 1 jaar wintergraan, 1 jaar zomergraan en het 3de jaar de grond braak lag, werd in Vlaanderen in de 14de eeuw al niet meer toegepast. Op de magere gronden van de Kem­pen zal het lange tijd in zwang zijn gebleven’.

 

Volgens Buiks is in de Baronie het braak liggen van grond al snel vervangen door teelt van gewassen als rapen, klaver e.d.. Een bijkomende factor was dat de boeren niet gehinderd werden door de ‘Flurzwang’, een verplichting om op delen van de dorpsakker hetzelfde gewas te verbouwen. Op de braak kon het vee geweid worden, tenminste zolang het braak liggende perceel niet ‘gebroken’ werd. De braak diende behalve voor het herwinnen van de vruchtbaarheid ook voor het verwijderen van onkruid. Om dit laatste te bereiken moest de braak veelvuldig geploegd worden en daarna geëgd. Braak liggende grond werd het eerst geploegd in juni (braakmaand). Tevoren kon het vee er ongestoord op weiden. Men vindt wel eens pachtkontrakten over het braak laten liggen van een deel van de landerijen in het laatste pachtjaar.

 

‘Brakelen’ en ‘brekelen’ zullen vermoedelijk zijn afgeleid van ‘braak’ + lo [elen-uitgang]. Tij­dens de braak herstelde de natuurlijke rijkdom van de grond zich enigszins o.a. door de werking van bepaalde vrij levende stikstofbindingsbacterieën. Onvruchtbare gronden lagen het meest braak. Een ‘hoogbraak’ is een hoger gelegen ontginningscomplex. (Buiks 1990:53; Draye 1941; Buiks 1990:72; Buiks & Leenders 1993 dl.5:562.)

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 1, 4, 5, 7

Opmerkingen:

 

-

 

 

 

 

Naam:

 

int Davellaer

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Op davelaar [BP1178-25v (± 1390)]

 

de manso de danlaer [HHI28-23 (1471)]

 

ad locum dictum affelair [Hs-(± 1500)]; ad locum dictum davelair [Hs- (± 1500)]

 

frankevoort in tillaartse tiende in davelaer [Hs- (1539)]

 

deselve zijn lant rondom bij 't huijs in den davell [GVEI5-67 (1624)]

 

de braeck in den d'avell [GVEI5-76 (1624)]

 

zijn ront veldeken in den d'avellaer [GVEI5-127 (1624)]

 

lant in den d'avellt [GVEI5-142 (1624)]

 

landt en canten in davillaer [GVEI2-139 (1777)]

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Ligging globaal overeenkomend met de huidige buurtschap de Stad. Davelaar is afgeleid

van de mansnaam Davell = Daniël (Mh).

Ligging:

 

Perceel nr. 15, 19

Opmerkingen:

 

De vorm Davell komt alleen voor in het maatboek van 1624 en is mijns inziens een verkorting van Davelaer. Ook andere toponiemen worden in dat maatboek soms afgekort.

 

De verklaring van Cornelissen is geloofwaardig, want behalve van boomnamen (Beukelaar, Hezelaar) lijken in Veghel nog meer – laarnamen afgeleid van persoonsnamen (Keselaar, Perlaar, Bobbelaar). Voor het element -laar, zie hierboven bij Beukelaar.

 

 

 

 

Naam:

 

Elsacker

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Elsakker in davelaar [Hs- (1530)]

 

den elssecker [GVEI5-123 (1624)]

 

landt den elsacker aen de dijk [GVEI2-134 (1778)]

 

de elsakker op het Zontveld [N (1848)]; E 1368 (b: 80.70).

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Verspreide ligging. Perceel afgezoomd met elzenstruiken (Top. St.Huibr.Lille, -132).

 

Ligging:

 

Perceel nr. 10

Opmerkingen:

 

-

 

 

 

 

Naam:

 

aen Frankevoort

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Tillaersacker ad locum dictum tillaer prope locum dictum vrankenvoert [Hs- (± 1380)]

 

ad locum dictum vranckevoert [Hs- (1470-1480)]

 

filius Johannis de vrankevort [HHI27-2(1471)]

 

ad locum dictum aent Franckevoert [Hs- (1485-1490)]

 

vranckevoert [GVE2-39 (± 1500)]

 

een huijsinge met vier lopensaten lant en de groescanten genampt het vranckenvoort [N. (1656)]

 

huijs, hoff ende aangelegen teulant, groese ende hoij, ter plaatse genoempt aent franckefort [N. (1710)]

 

frankevoort in Tillaartse [RAVI58-93 (1730)]

 

frankevoert [GVEI2-118v (1778)]

 

sijn veld frankvort op den heuvel [GVIIB7 (1791)]

 

aan het haveld genaamd aan frankevoort tiende in davelaar [N. (1820)].

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Ligging ongeveer identiek met de Stad. Het eerste lid zou een persoonsnaam kunnen zijn.

De familienaam Franken is nu nog bekend in Veghel.

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 9, 11, 13

Opmerkingen:

 

Afgeleid van de naam van een persoon die bij de voort woonde. Vergelijk met Rijkevoort op Krijtenburg, genoemd naar ene Richard die bij die voort woonde. De Frankevoort zal te plaatsen op het punt waar de noord-zuid lopende weg de waterloop passeert.

 

 

 

 

Naam:

 

Heilige Geest Hoeve

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Van de heilige geest hoeff ten bossen [GVE15-154 (1624)]

 

van de heylige geest hoeve hoy en groes [GVE12-115v (1778)]

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Zie Heilige Geest en Hoeve

Ligging:

 

Perceel nrs. 14-17

Opmerkingen:

 

Hoeve van de Tafel van de Heilige Geest van Den Bosch.

 

 

 

Naam:

 

aen de Heuvel

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Hoeve ten hoevel [Hs- (1390-1395)]

 

die hovel aent haanvelt [Hs- (± 1495)]

 

huysplaats en landt den heuvel aen de leege heyde [GVEI2-39 (1778)]

 

den heuvel [kad.(1832)]; C 503-553

 

hakhout staande en wassende te Veghel op den Heuvel [N (1842)].

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Gebied en buurtschap aan de noordzijde van de weg naar Erp, niet ver buiten Veghel.

Tevens een perceel van onbekende ligging op de Lage Heide. Benoeming naar de hoge

ligging De Heuvel is een licht welvend en wat hoog gelegen terrein. Gangbare naam voor (iets) hoger gelegen land (Molemans, Zonhove, -412).

 

Verklaring door Beijers en Van Bussel:

 

Komt voor als benaming voor een verhoging in het landschap met als nevenvormen hovel, huffel, huvel en hoevel. Vaak liggen de heuvel-toponiemen in het centrale gedeelte van een nederzetting of bij oude grenspunten. Het kan ook een benaming zijn voor afzonderlijke percelen. Men vermoedt dat het afkomstig is van het germ. * hugila = heuvel, welving van lokale omvang. De heuvel is niet per definitie het centrale dorpsplein, niet altijd driehoekig van vorm en helemaal niet Frankisch van oorsprong, zoals in het verleden gedacht werd. De mening van Trommelen als zou ‘heuvel’ wijzen op een verzameling van enkele boerderijen die dicht opeen stonden, lijkt ons twijfelachtig [redactie].

 

Buiks 1992:102; Trommelen 1994:282; Buiks & Leenders 1993 dl.2:140; Moerman 1956:98; Schönfeld 1949:37; de Bont 1969:59

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 2, 4, 8, 12

Opmerkingen:

 

-

 

 

 

  

Naam:

 

aent Hoeck hecken

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Kempken aen hoecx hecken [GVE15-144 (1624)]

 

huis aant havelt off hoexkhecken gelegen [RAV104-258v (1761)]

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Onbekende ligging aan het Havelt. Benoeming naar de ligging.

Verklaring door Beijers en Van Bussel:

Het oude woord voor hek is ‘veken’. Het betekent slagboom. Een toponiem als ‘de drie vekens’ kan een perceel betekenen met drie hekken in de omgevende wal of heg. Het gaat dus niet louter om slagbomen aan de uiteinden van een dorp of gehucht, maar ook om hekken in een omheining. Smulders vermeldt een hek te Hilvarenbeek in 1387 in ‘Hildwa­renbeke, repagulum dictum Loeveken’: het hek bij het Loo. Een synoniem voor hek kan ‘ynde’ zijn zoals blijkt uit een tekst uit 1386 waar gesproken wordt over een ‘repagulum dictum ynde’. In een protocol van Esch wordt mel­ding gemaakt van een stuk land waarbij de volgende onderhoudspost staat beschreven: ‘het halff hecken oft ynde teynden den Meddel’ en ‘te onderhouden de heckens ofte ijnde bij den Swemmer’.

 

Buiks 1990:81, 174; Lindemans 1953:28; Schröder 1972:73; Helsen 1978:83; Hermersdorf 1956:82;Smulders 1950: 81.

 

Ligging:

 

Perceel nrs.

Opmerkingen:

 

-

 

 

 

 

Naam:

 

Hostert

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Lant de hosters neve de straet [GVE12-157 (1778)].

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Onbekende ligging. Ook hier is misschien sprake van een verkeerde lezing of verschrijving

van Hostie (zie hostie).

Ligging:

 

Perceel nr. 1

Opmerkingen:

 

Hier een evolutie uit “Hondstaart”, in Veghel een gebruikelijke naam voor percelen met een lange smalle uitloper, zoals ook dit perceel.

 

 

 

 

Naam:

 

neffen de Kerckstraet

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Vuijt een stuck ackerlants genoempt Jennekens hoeffken gelegen onder vechel in

vranckenvoirt, deen sijde aende kerckstraete [RG169-26 (1646)]

 

de kerkstraat [N (1883)]; G 10, 11 (hu: 15.50; tu: 10.50); de kerkstraat, nu Deken van Miertstraat [V.-]

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Een der vroegere benamingen voor de Deken van Miertstraat. Tevens voor de straat van

de markt naar de kerk. In de 17e eeuw werd blijkbaar de oude weg naar erp ter hoogte

van het Frankevoort, nu de Stad, ook Kerkstraat genoemd. Benoeming naar de ligging.

 

Ligging:

 

Perceel nr. 10

Opmerkingen:

 

Perceel 10 lag naast de Kerckstraet. Het gaat niet om de oude weg naar Erp maar om de weg tussen perceel nr. 10 en 11.

 

 

 

Naam:

 

in de Stadt

Vermeldingen door Cornelissen:

 

De stad = frankevoort [RAV160-31 (1762)]

 

de stad [kad. (1832)]; C 554-568; de stad [Mh- (1954)].

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Gebied liggend tussen het Beukelaar en de Heuvel, in vroeger tijden Frankevoort geheten

nog vroeger het Davelaar, tegenwoordig is de Stad in gebruik als straatnaam, voor een

weggetje tussen het betreffende gebied en de Heuvel, uitlopend op de oude weg naar Erp

nu Heuvel gedoopt. Stad = hofstad (Top. Valk. -237).

 

Ligging:

 

Perceel nr. 10

Opmerkingen:

 

Ik sluit me aan bij de opvatting van Cornelissen dat Stad is geëvolueerd uit Hofstad.

 

 

 

Naam:

 

Vosacker

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Vosacker davelaar, havelt [Hs- (1538)]

 

vosacker davelaar, havelt [RAV56-182 (1683)]

 

landt den vosacker [GVE12-125 (1778)]

 

eenen acker teull., houtwasch en geregtigh. onder de hoogboekse thiende genaemt het heijlige geest velt off vosacker [RAV109-147 (1785)]

 

de vosakker [N (1860, 1891); C 566 (b: 93.50), 567 (b: 80.70).

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Ligging in de Stad aan de Driewegenscheiding (zie driewegenscheiding). Wellicht benoeming naar het dier de vos. Het eerste lid kan de persoonsnaam Vos zijn die

plaatselijk vrij algemeen is.

 

Verklaring door Beijers en Van Bussel:

 

Vossen waren vroeger tamelijk algemeen. Voor de bouw van hun hol prefereerden zij lemig zand of klei. Holen in niet-lemig zand zouden snel instorten. Ze werden zwaar vervolgd. Er stond eeuwenlang een premie op het doden van een vos.

 

Buiks 1990:208; Buiks 1983 dl.5:112; Buiks 1986 dl.18:80; Trommelen 1994:472; Buiks & Leenders 1993 dl.2:83.

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 3, 6

Opmerkingen:

 

-

 

 

 

 

Naam:

 

’t Weijke

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Cornelissen signaleert deze veldnaam op verschillende plaatsen in Veghel.

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Diminutief van wei.

Ligging:

 

Perceel nr. 9

Opmerkingen:

 

-

 

Afkortingen Cornelissen     Afkortingen Beijers-Van Bussel     Kaart van Veghel     Frankevoort