|
Naam:
|
Door, Doorn |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
De
doren [HH-133 (1507)]
landt den braack en den doom (dorhoudt) [GVE2-190
(1702)]
lant
den hoek en doom int dorshout [GVEI2-192v (1777)]
een
perceel teulland en groeze houtwas voorpoting en
geregtigheden gelegen in het Dorshout genaemt den doren
[N (1816)]
den
doom [V.]; A 1281-1284 (b: 1.42.10; w: 61.90).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Liggend in het gebied het Laagland tussen Dorshout en de
tegenwoordige N.C.B.-laan.Een ander perceel den Doom lag
langs de Udensesteeg, waarvan de ligging niet duidelijk
is. Dit perceel is vermoedelijk omgeven geweest met een
doornhaag.Met de haag- of meidoorn werden hagen
aangelegd (cfr. Mnl. Wb llI 2526: hagedoorn "tot haag
dienende doornstruik, dorenhaag"). Dikwijls in de
verkorte vorm doom (M. Top. Neerpelt, -196). Mogelijk
ook naar de persoonsnaam van Doom, die ter plaatse nog
algemeen voorkomt.
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
Door: het zal een verwijzing zijn naar een plaatselijke
doorgang [redactie].
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 1, 2, 5 |
|
Opmerkingen:
|
De oudste vermeldingen zijn “Door”. “Doorn” lijkt een
latere variant. De verklaring van Beijers en Van Bussel
verdient daarom de voorkeur.
|
|
Naam:
|
Duyfhuys, Tuyffens |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Retro locum dictum tuyftheze beemd die weidecamp [Hs-
(1385-1390)]
de
thuyfthuyse [HHI33-6 (1507)]
ter
steden geheyten tuyfthuys onder Vechel, grenzend met een
zijde aan de gemeynt van Uden en met een eind aan den
wech van den welsfoert [Mrv31 (1591)]
weyveltje opt duyffhuys [GVEI2-101 (1778)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Het
Duifhuis is een buurtschap onder Uden in het grensgebied
met Veghel. Vroeger stond daar een kasteeltje. De oudere
spellingvarianten maken de voor de handliggende
associatie met duifhuis, duiventil minder aannemelijk.
De werkelijke betekenis van het toponiem blijft,
afgezien van de genoemde interpretatie, obscuur.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 1, 2, 5, 7 |
|
Opmerkingen:
|
Mijns inziens is Duifhuis de correcte betekenis, en zijn
vormen als “tuyftheze, tuyffens” letterlijke of
phonetische transcripties van hoe het woord plaatelijk
uitgesproken werd,
|
|
Naam:
|
Goordonk, Hoordonk |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Hoyrdonck, grooydonck [Hs- (1550)];
't
huys aen d'hoerdonck [GOI26-20 (1570)]
2
streepen teullandt en drieske in goirdonk [GVEI2-43v
(1778)]
heyvelt in hoirdonk [GVEI2-101 (1778)]
goordonk [kad. (1832)]; C 212-316
ter
plaatse genaamd Huigenbosch, Udensedijk Heiakker en
Hoordonk [N. (1862)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Ligging aan de grens met Erp in de meest
noord-oostelijke hoek van Veghel niet ver van
Mariaheide. De primaire betekenis van mnl. gore, vr.
goor, o is slijk, moeras. Mits een goede ontwatering kan
een goor sekundair ook hooiland aanduiden. Vele goren
waren ook geschikte terreinen voor klotwinning (M. Top.
Valk. -122).
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
Het mnl. goor of gore betekent slijk, moerassig land met
venige bodem. Indien een goede ontwatering bestaat kan
een goor secundair ook hooiland aanduiden. Goor wordt
ook wel gebruikt voor turfgrond; in dat geval is de
bepaling wit in bv. Witgoor begrijpelijk. Er was immers
witte en zwarte moer. De eerste bevatte meer zand en was
van mindere kwaliteit. In de zwarte moer daarentegen
zaten meer plantenresten en deze had daardoor een
donkere kleur. Ook bestaat de vorm ‘gorink, een zgn.
ink-formatie.
Gijsseling 1954; Molemans 1976:357; de Jongh 1972:184;
Buiks 1990:95.
Hoerde / Hoere / Horde / Horen / Horn: Veelal een houten
staketsel of een gevlochten van wilgentenen. Het is
enigszins vergelijkbaar met een ‘veken’, een afsluiting
derhalve. In het Hoortgat te Lommel is ‘hoort’ een
aanduiding van een omheining van met rijshout gevlochten
staken of van levend hout. Het hoortgat is dan een
toegang of opening door een houtkant of gracht. Ook zou
het element, samenhangend met het mnl. ‘hore’, voorkomen
in de betekenis modderig of vuil, vaak in verband met
een moerassige bodem. Horevoert zou dan een vuile of
modderige voorde zijn, een doorwaadbare plaats bij een
beek of waterloop. Horn of horne, afgeleid van het germ.
* hurnjôn duidt op een hoek hoger gelegen land in een
moerassig terrein.
Gijsseling e.a.1960:511; Trommelen 1994:298; Helsen
1978:119; Lindemans 1953:30; Mennen 1992; v.Berkel &
Samplonius 1989:88,89.
|
|
Ligging:
|
Goordonk: perceel nrs. 2, 10, 14, 17, 18, 22-29
Hoordonk: perceel nrs. 17, 24-26, 28
|
|
Opmerkingen:
|
De oudste vermeldingen de we vonden zijn: van 4 bunder
vutfang gelegen in Hoerdonck (Hg-50 (1445)) en ‘enen
heycamp’, genoemd in Hoerdonk (R25, fol. 460 (16-12-1549)).
De naam Goordonk duikt – voor zover is te overzien - pas
op in de achttiende eeuw. De vermelding “Grooydonk” (ca.
1550) konmt uit een secundaire bron, de scriptie van Th.
Hoogbergen. Deze vermelding is twijfelachtig, mogelijk
is hier de Grootdonk te Eerde bedoeld.
Goordonk lijkt dus een verbastering van de oudere naam
Hoordonk.
De oorspronkelijk betekenis moet dan gezocht worden in “Hoor-“
en niet in “Goor-“. Een “donk” is een terreinverhging in
een drassige omgeving. Ik geef de voorkeur aan de
verklaring van Beijers en Van Bussel voor “Hoor-“: een
hoek hoger gelegen land in een moerassig terrein.
|
|
Naam:
|
aen de Heyde |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Dat
gelden Aert Claeus kynder aan die heij [GVIE2 (1437)]
huis
in loco dicto aen die heye den langen ecker in loco
dicto henneberch [Hs- (1519-1538)]
aen
den hertgang de hey [GVE12-1 (1778)]
landt over 't heyke, 't campke [GVE12-30 (1778)]
de
heide [kad. (1832)]; D 361 (b: 10.50) (St.Oed.). de hei,
de heide, het heike [N (1886, 1891, V.]; B 171 (he:
9.46.20), C 5, 6 (w: 59), 399 (he: 19.72.30), E 638-640
(w: 55.40; hu: 57.00; de: 1.70.00), 692 (he: 14.72.50),
694 (he: 15.61.40), 1532, 1533 (he: 3.45.20), F 465
(he:
20.63.51).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Verspreide ligging. Hei, heide werd meestal gebruikt ter
aanduiding van het tegenwoordige Mariaheide, maar ook
voor het heidegebied (vroeger van St.Oedenrode)
zuidelijk van Eerde, en evenals "heike" voor percelen
ontgonnen heide. Anno 1832 kende Veghel nog uitgestrekte
onontgonnen heidegebieden: Hogerduinen, Beukelaarsbroek,
het Reibroek onder Zijtaart, het Dubbele tussen Eerde en
Veghel, het Wuiten en het Vensbroekje nabij Vorstenbosch
en nog verscheidene kleinere gebieden. De Veghelse
heiden zullen meestal laaggelegen geweest zijn. Zoals
elders in de Kempen, is heide de gangbare benaming
geworden ter aanduiding van de, meestal met heide
begroeide, gemeentelijke gronden, die zeer uitgestrekt
waren. Andere namen ter aanduiding van deze gemene
gronden zijn Aard (zie Eerde), Gemeente en Vroente.
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
Achter elk gehucht lag destijds een uitgestrekte gemene
vroente, aard of veld, die in Brabant meestal wordt
aangeduid met ‘gemeynt’. Later werd ‘heide’ de gangbare
benaming voor deze omvangrijke gemeenschappelijke
velden, begroeid met droge heide [Erica] of met dop- of
hommelheide, de natte of platte heide. De heidevelden
hadden een economische betekenis voor de locale
agrarische bedrijfsvoering. Ze dienden als weideplaats
voor koeien en schapen geleid door een door een
buurtschap aangestelde herder of scheper. De ingezetenen
mochten op de heide turf steken, plaggen maaien en leem
uitgraven voor de huizenbouw. De talrijke vennen deden
dienst als rootputten of als visvijver. Er werd honing
gewonnen door het plaatsen van bijenkorven. Regelmatig
werden stukken van de gemeynt aan particulieren
verkocht.
De heidevelden, de onontgonnen gemeenschappelijke grond,
was begroeid met heidestruiken en andere lage vegetatie.
In Brabant was het de naam voor de gronden met een
typische flora en fauna: struikheide op de droge
gronden, dopheide op de wat nattere heidegronden samen
met gagel, jeneverbes en brem. Na ontginning kon heide
ook een perceel bouwland aanduiden dat door middel van
een omheining van levend hout uit de zgn. ‘gemene heide’
werd geïsoleerd.
Enklaar 1941; de Bont 1993:93; Molemans 1976:338;
Spierings 1984:31,32,225,226. ; Berkel & Samplonius
1989:106; Mennen 1992:53; Buiks 1990:103; Helsen
1978:119.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 2, 13, 28, 29 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
aen, agter de Crekelshof |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Ad
locum dictum op krekelshof [BPI214-136 (1440-1445)]
gelegen tot veghel aan de hey by de crekelshoff [GVB44
(1546)]
huis,
bakhuis in Veghel aan de heij van ouds genaamt de
kreeckelshoff (eigenaar Jan Ruth v.d. Crekelshoft)
[RAV99-264v (1732)]
crekelhoff aan de hey [RAV159-89v (1746)]
krekelshof [kad. (1832)]; C 183-211.
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Gebied liggende onder Mariaheide, zuidelijk van dweg
naar Uden, nabij de grens met Uden. Krekel = krakeel,
perceel waarover een (grens)betwisting bestond of krekel
"insekt": aanduiding van woeste respektievelijk
onvruchtbare terreinen (M.Top. Valk. -74). Het eerste
lid bevat weer een diemaam. het ligt voor de hand om ook
hier weer te denken aan benamingen, misschien door
spottende buren gegeven, voor slecht en onvruchtbaar
land. Bij Krekelshof zal dat in ieder geval een
moerassig gebied geweest zijn.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 10, 13, 15-17, 19-21, 23 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
aen de Leege Heij |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Leege hey [Hs- (1664)]
de
leegh hey bestaet in 23 huyssen ende begint in den
buender genaemt den junger aen muylengraeff is
toegemeten yder 4 roeden [GVIIB28 (± 1700)]
van
eenen acker aen de leeg heyde [HH163-4 (1714-1783)]
lege
hei [Mh- (1954)]
de
lage heide [kad. (1832)]; B 351-393; [N (1843)]; B
409-415 (hu: 09.10; mo: 03.42; w:
89.60; b: 1.64.30).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Gebied onder Mariaheide aan de noordzijde van de weg
naar Uden, ongeveer vanaf de kerk oostwaarts tot aan de
Beekgraaf vlakbij het gedenkteken. Benoeming naar de
ligging. Ten oosten van dit gebied begint het niveau van
de bodem te stijgen. (Uden ligt aanmerkelijk hoger dan
Veghel)
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 1, 2, 5, 10, 15, 22, 26-28 |
|
Opmerkingen:
|
Voor een bespreking van de ligging van de Hoge en Lage
Heide,
klik hier. |
|
Naam:
|
Nieuwencamp |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Cornelissen signaleert deze waternaam op verschillende
plaatsen in Veghel.
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Benoeming naar het (recente) tijdstip van ontginning of
ingebruikname.
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 15 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
Udense Steegt |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
De
doom nevens de udense steegt [GVEI2-96 (1778)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Onbekende ligging. Benoeming naar de ligging.
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 1 grensde aan de Udense Steegt.
|
|
Opmerkingen:
|
Het is niet helemaal duidelijk of hiermee de smalle weg
aan de westzijde, of de Dufhuyse straat aan de
noordoostzijde bedoeld wordt. Op de
kaart met toponiemen
is de smalle weg aan de westzijde aangehouden.
|
|
Naam:
|
Weycamp |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Ex
agro dicto verrenberch et campo dicto werdecamp [GVIE2
(1367)]
retro locum dictum tuyftheze beemd die weydecamp [Hs- (±
1390)]
perceel in weycamp [GVEI2-96 (1778)]
weikamp [V.-]; C 250-256 (he: 51.50; w: 3.30.20).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Ligging in de Goordonk onder Mariaheide. Kamp bestaande
uit weiland.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 19-21 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
Welsfoert |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
- |
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Mnl.
voort, vort, voirt "ondiepe doorwaadbare plaats; plaats
waar men door een water kan gaan" (Top. v. Valk. -258).
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
Wed, wet: dit element zou synoniem zijn aan ‘wade’:
doorwaadbare plaats, terwijl ook een drenkplaats voor
het vee mogelijk is. Carnoy denkt bij Wetschot [1232
Weddescote] aan een vorm die teruggaat op Wytschot en
ziet in het 1ste lid een afleiding van * wida
= wilg. Helsen neigt naar ‘wedde’ = drenkplaats of
ondiepe of doorwaadbare overgang. De Wetsstreep onder
Nuenen wordt verklaard als een smalle strook land deel
uitmakend van een moeras, waarbij ‘wet’ wordt gezien als
nat en vochtig.
Buiks 1988 dl.4:77; Billiet 1955:180; Carnoy 1956:3;
Helsen 1978:183; Cornelissen e.a. 1987:303.
Wede, wedel, weder, wide, wijt: het kan een verwijzing
zijn naar de ‘wede’ als plant waarvan een blauwe
verfstof verkregen werd. Wede werd geplet in een molen,
zoals in Hakendover. Anderen geven de voorkeur aan
‘wede’ of ‘wide’: datgene wat men bindt, teen of twijg.
Hierbij wordt uitgegaan van een afleiding van het mnl.
wide = wilg, wilgentak. Andere varianten zouden wis en
wime zijn. Volgens Carnoy zou Wede- of Weehagen dezelfde
betekenis kunnen hebben als Wishagen. Het element ‘wis’
of ‘wisse’ zou verwijzen naar een buigzame wilgentwijg [Salix
vininalis]. Vroeger kwam bij bijna elke Kempische
boerderij een rij ‘wissestruiken’ voor die voor allerlei
doeleinden werden aangewend. Smulders gaat in op de vele
vermeldingen uit het Bosch Protocol waarin ‘wee' of
‘wede’ voorkomt in allerlei veldnamen in een aantal
dorpen uit de Meierij, waarbij hij de voorkeur geeft aan
de vertaling waterwilg. In Wedehouw veronderstelt hij
een plaats waar de ‘wede’ werd gehakt of gehouwen.
‘Wide’ kan als adjectief de betekenis hebben van wijd en
uitgestrekt. Een naam als Wijmer zou een afleiding
kunnen zijn van ‘widemare’, een samenstelling van ‘wide’
= wilg en ‘mare’ = waterplas.
De oorspronkelijke betekenis van het mnl. vort, voirt is
doorwaadbare plaats in een beek. Was zo’n overgang
gemaakt van stenen, dan sprak men van een Steenvoort.
Helsen wijst erop dat voorde-namen vaak grenstoponiemen
inhouden. De Overpeltse voorde-namen zouden dit
bevestigen. Waar waterlopen de grens tussen gemeenten
vormden werd blijkbaar een doorwaadbare plaats gezocht
om het onderling verkeer te bevorderen. Het woord zelf
zou een afleiding zijn van het germ. * furdu. Verborgen
voorde-namen treft men aan in Stevert > Steenvoort,
Bemmert > Bemvoort, Koevert > Koevoort, Loksert >
Laaksvoort, Sliffert > Slibvoort.
Buiks 1990:190; Bach 1953:422; Smith 1956 dl.1:181;
Dittmaier 1963:81; Molemans 1976:1691; v.Berkel &
Samplonius 1989:166
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 1, 2. |
|
Opmerkingen:
|
Zie
de toponiemen van Kinnekens Kamp voor de
spellingsvariant “Wedelsvoert”. De combinatie met voort
maakt “wedel-“ is “wade”, of doorwaadbare plaats een
aantrekkelijke verklaring. De precieze plaats van deze
voorde is niet bekend.
|
|