|
Naam:
|
Beukelaar |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Et de mansu seu bonis dictum ten buekelaer [GVIE-2
(1374)]
de hoeve 't goet op beukelaer [BP1187-101v (1411)]
ad locum dictum aent beukelair, aent beuchelair in die
Heze [Hs- (± 1500)]
aent buekeler in verrenberch [Mrv23-110 (1533)]
buuckelaar [GVE2-52 (1702)]
27 roijen aent beukelaer [GVEI2-48v (1778)]
beukelaar [kad. (1832); N (1843)]; B 1045, 1046 (w:
92.70), 1139-1273.
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Afleiding met personijicerend suffix -elaar, van beuk.
Perceel begroeid met beukebomen
(Hs-). Volgens Van Passen (1967 -133) blijkt een laar in
de kempen ovet het algemeen de
betekenis te hebben gehad van onbebouwde (gemeenschaps)grond
waarop men het vee liet grazen (Top. v. Neerpelt. M.).
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
Varianten met een verzamelsuffix zijn o.a. Boekt en Bokt
en met een tot de lo-formatie behorende uitgang, nl. -el
in bv. Beukel.
Beuken groeien het beste op leemhoudende vochtige
gronden. Het element kan zijn afgeleid van het germ. *
boko mnl. boeke, boucke = beuk (Fagus silvatica). De
beuk komt zowel in het wild als aangeplant voor. De
vormen met een verzamelsuffix -t herinneren ons aan
middeleeuwse ontginningsactiviteiten, waarbij de
ontbossing van het gemengde eiken- en beukenbosarsenaal
ter hand werd genomen om meer cultuurgrond voor de
akkerbouw te creëren. Deze vorm van ontbossing is al in
de vroege middeleeuwen ingezet en naarmate de bevolking
toenam werd die intensiever [redactie]. (Buiks
1990:56; Helsen 1978:126.)
Laar kan vele betekenissen hebben. Helsen interpreteert
het als woeste, onbebouwde gemeenschapsgrond of heide en
minderwaardig grasland, waar men de dieren liet grazen
en russen kon steken. Ook verstaat men er een intensief
benut bos onder. De Bont prefereert de betekenis van
omheind terrein, anderen die van een open plek in het
bos waar hout gestapeld en gehaald kan worden. Roelants
wijst erop dat er van de 14de tot de 16de
eeuw verschillende plaatsnamen op -laar zijn ontstaan.
Dittmaier neemt als betekenis ‘omheining’ over, maar
voegt eraan toe dat het geen gewone omheining is van bv.
een groene haag, maar een van planken en balken, die
vooral berekend was op kweekdieren.
Smulders vestigt de aandacht op ‘laar’ door diverse
voorbeelden te geven van oorspronkelijke laarnamen die
evolueerden naar andere schrijfwijzen, bv. Herlaer >
Halder, Swelaer > Sweelders, Vellaer > Velder, Geerlaer
> Geelders, Hollaer > Holder etc. De FN ‘van Elderen’
verklaart hij als afgeleid van Ellaer > Elder(en). Hij
wijst er op dat toponiemen eindigend op -lder in
oorsprong laarnamen geweest kunnen zijn.
Tavenier propageert een systematisch onderzoek naar de
landschappelijke aard van alle laarvermeldingen. Volgens
Theuws komt het element -laar in nederzettingsnamen
vooral voor buiten de bevolkingsconcentraties die hij
voor het Maas-Demer-Scheldegebied heeft uitgekarteerd.
De laarnamen zouden volgens hem in verband gebracht
kunnen worden met vochtige, natuurlijke omstandigheden.
De macroregionale spreiding lijkt hier op te wijzen. Dat
laarnamen niet voorkomen in bv. de valleien van Maas en
Schelde zou erop duiden dat een groot deel van deze
gebieden al bewoond was toen deze namen werden gevormd
en dat ze een latere fase van verdere of interne
kolonisatie aangeven. Volgens hem vertegenwoordigen de
laarnamen een jongere namenlaag en derhalve jongere
bewoning.
De Bont geeft voorbeelden afgeleid van boomnamen zoals
Mispelaar, Kerselaar, Pruimelaar, Appelaar, Notelaar
e.a. Laar werd soms voorafgegaan door een ‘-h’ en werd
dan ‘hlar’. Het gaat dan om een verwijzing naar een
oude door de mens beïnvloede landschappelijke situatie.
Waar Gijsseling spreekt over ‘bosachtig moerassig
terrein’ voor dit element, meent Blok een verfijning te
moeten aanbrengen en spreekt van ‘...een deel van een al
of niet moerassig bos, dat door mensen speciaal gebruikt
werd om te kappen of om vee in te weiden en dat daardoor
een open plek in het bos werd.’ In deze definitie wordt
niet een oorspronkelijke natuurlijke gesteldheid
aangegeven, maar juist een oude vorm van menselijke
ingreep in de natuur. Als zodanig moet ‘laar’ als veen-
en moerasindicator terughoudend worden gebruikt. De Bont
veronderstelt dat het kappen van bos voor het aanleggen
van akkertjes vanaf de vroege middeleeuwen geleidelijk
is verlopen. Soms zullen aanwezige open plekken, de
‘laren’, als uitgangspunt hebben gediend. Door het
kappen en plat branden van delen van het bos werd een
geschikt gebied langzaam maar zeker van zijn
bosbegroeiing beroofd.
Helsen 1978; Molemans 1977; Dittmaier 1963; de Bont 1969
dl.3; Gijsseling 1956; Helsen 1944; Buiks 1992:45;
Roelandts 1946:41; Smulders 1952:59; Tavenier 1968:442;
de Bo 1881:193; de Bont 1993:72; Blok 1991:24; Theuws
1988:181.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 1, 2, 5, 6, 13, 14, 19 |
|
Opmerkingen:
|
- |
|
Naam:
|
Bloemenacker |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Den blomenacker aen die laeg vonder [BP1189-87 (1415)]
den bloemenacker of bloemengat, liggende in vier strepen
op de burght [Mg25a-92 (1662)]
eenen acker genaemt den bloemenacker off bloemegat daar
eene wegh tussen doorgaat gelegen te Veghel liggende in
vier strepen op de burght of bocht [H25a-92
(1747-1794)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Synoniem met bloemengat, dat in de 19e eeuw niet meer in
de stukken werd aangetroffen
in tegenstelling tot bloemengat.
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel: |
Men herkent dit element o.a. in Bloemenakker, waarmee
een akker bedoeld kan zijn waar vroeger veel onkruiden
voorkwamen waarvan sommige bloemen hadden, zoals bv. de
bolderik, de gele ganzenbloem (door de boeren vaak
goudsbloem genoemd), de korenbloem en de klaproos. Bloem
of blom kan ook wijzen op het witachtig opdrogen van de
grond nadat er geëgd was, het zgn. opzomeren. Bloemen
kan duiden op bloeiende planten, maar ook
overdrachtelijk gebruikt worden: mooi of goed.
Ook de familienaam Bloemarts of Bloemaerts of Blommarts
komt in de cijnskring verspreid voor en kan aanleiding
geweest zijn tot het ontstaan van dit element. (Goossenaerts
1956/1958; Buiks & Leenders 1993 dl.3:338; Beijers
1992:92).
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 23 + Oude Kerkhof, perceel nr. 19 |
|
Opmerkingen:
|
Mogelijk vermelding naar familienaam Blommen, of
Bloijman |
|
Naam:
|
Bloemengat |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Dat blomenstuc in dat blomengat [BP1190-328 (1418)]
bloemengat (blommengat) russelt, hoge boekt [Hs- (1539)]
bloemengat (blommengat) [Hs- (1675)
bloemengat (bloemmengat) [Hs- (1703)]
5 ½ lant bloemegat [GVE12-86 (1778)]
bloemengat [N. (1838); D 29 (bo: 63.10)
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Landerijen te Veghel aen de Boekt. Gat = synoniem voor
moerassige plaats. Ook drinkplaats voor vee. Het woord
kan verschillende betekenissen hebben: zeegat, geul door
ondiepe gronden; kolk, visgat, wiel en ten slotte plas,
ven. Dit woord is natuurlijk niet het got. gatwo, mnl.
gate, Hgd. Gasse.
Perceel waar veel bloemen groeiden/geteeld werden.
Mogelijk ook teruggaand op persoonsnaam Bloemen.
Mogelijk ook afgeleid van bloem in de betekenis van
bloesem, gewestelijk b.v. in Brabant (W.N.T.). Of van
bloem, het fijnste van het meel, soms voorkomend als
bloemen (W.N.T.)
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel: |
Men herkent dit element o.a. in Bloemenakker, waarmee
een akker bedoeld kan zijn waar vroeger veel onkruiden
voorkwamen waarvan sommige bloemen hadden, zoals bv. de
bolderik, de gele ganzenbloem (door de boeren vaak
goudsbloem genoemd), de korenbloem en de klaproos. Bloem
of blom kan ook wijzen op het witachtig opdrogen van de
grond nadat er geëgd was, het zgn. opzomeren. Bloemen
kan duiden op bloeiende planten, maar ook
overdrachtelijk gebruikt worden: mooi of goed.
Ook de familienaam Bloemarts of Bloemaerts of Blommarts
komt in de cijnskring verspreid voor en kan aanleiding
geweest zijn tot het ontstaan van dit element. (Goossenaerts
1956/1958; Buiks & Leenders 1993 dl.3:338; Beijers
1992:92).
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 23, 24 |
|
Opmerkingen:
|
Zie ook deel Rutsel |
|
Naam:
|
aan de Boekt |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Sita in prochia de Vechel ad locum dictum op die boect
[GVIE2 (1438)]
de boekt [Hs(1682)]
lant en venneke op de boekt [GVE12 (1778)]
de boekt [N. (1874, 1884, 1892)]; D 57 (b: 37.90), 211
(b: 27.10), 222 (b: 78.20).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Een groot deel van het huidige Veghel-Zuid, oostelijk
van de Aa droeg van oudsher deze
naam. Het winkelcentrum ter plaatse is ernaar genoemd.
Plaats waar beuken groeien. Boek = beuk. De -t- duidt op
de kollektieve suffix (Hs-).
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
Varianten met een verzamelsuffix zijn o.a. Boekt en Bokt
en met een tot de lo-formatie behorende uitgang, nl. -el
in bv. Beukel.
Beuken groeien het beste op leemhoudende vochtige
gronden. Het element kan zijn afgeleid van het germ. *
boko mnl. boeke, boucke = beuk (Fagus silvatica). De
beuk komt zowel in het wild als aangeplant voor. De
vormen met een verzamelsuffix-t herinneren ons aan
middeleeuwse ontginningsactiviteiten, waarbij de
ontbossing van het gemengde eiken- en beukenbosarsenaal
ter hand werd genomen om meer cultuurgrond voor de
akkerbouw te creëren. Deze vorm van ontbossing is al in
de vroege middeleeuwen ingezet en naarmate de bevolking
toenam werd die intensiever [redactie]. (Buiks
1990:56; Helsen 1978:126.)
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 10, 15, 16, 18-22, 25 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
in de Boektstraat |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
In
de boekstraat, handwijzer naar Uden en Erp, dijk naar
Erp [GVB26 (1787)]
het
boektstraatje [GV (1818)]
de
boektstraat [kad. (1832)], (D 1)
de
boektstraat [V.]
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Tegenwoordig is de Boektsteeg een doodlopend steegje,
uitkomend op de oude weg naar Erp, de Heuvel. Op de
kadasterkaart van 1832 vormde het een lange steeg die
tussen de Hoge en de Lage Boekt doorliep tot vlakbij het
huidige volkstuinen kompleks en de Boektstraat genoemd
werd.
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 13 |
|
Opmerkingen:
|
De naam Boektstraat staat ook aangegeven op de
kadasterkaart van 1832. |
|
Naam:
|
Diepenbroek |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
In
loco dicto die diepenbroeck [Hs- (± 1390)]
peciam terre deam dat diepenbroeck [GVIE2 (1422)]
land
dat diepenbroeck int Davelaer [Hs- (1519-1538)]
zijn
diepenbroeck in den d'avelt [GVEI5-137 (1624)]
landt aent Beukelaer Diepenbroek [GVEI2-54 (1778)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Onbekende ligging ongeveer op de scheiding van de
gebieden Nederboekt, Beukelaar en
Stad.
Het woord "diep" kan in het Middelnederlands behalve de
diepte ook de samenstelling
van
de bodem aanduiden. Het bekende liedje: "dan zijn de
paadjes diep, ja diep", is
hier
een voorbeeld van. Hier betekent "diep" misschien "modderig,
moerassig".
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
Een diep kan een natuurlijk of gegraven water zijn, een
geul in een water, afgeleid van het germ. * diub = diepe
of moerassige plaats. Waar dit element voorkomt in
combinatie met ‘straat’ gaat het om wegen die lager
liggen dan de onmiddellijke omgeving. Een dergelijke
ligging kan ontstaan doordat de akkers langs de straat
bolvormig zijn en iets hoger liggen vanwege hun zware
esdek. Ook kan zo’n Diepstraat tussen twee wallen in
liggen waardoor de straat relatief laag kwam te liggen.
Diep duidt in het algemeen op laagte. In Diept is het
verzamelsuffix -t aanwezig, wat een complex laaggelegen
percelen aangeeft. In het Vlierdense voorbeeld is een
afleiding en verschrijving van ‘de eept’ in ‘d’eept’
niet uitgesloten [redactie]. Moerman 1956:50; Buiks
1984 dl.9:26.
Algemeen wordt aangenomen dat Broek een afleiding is van
het germ. * brôka, wat staat voor moerassig en
laaggelegen land. Het komt in de cijnskring frequent
voor zowel als element in diverse samenstellingen als in
de namen van enkele hoeven die ‘ten Broeke’ worden
genoemd. Door geschikte afwateringsmethoden zijn veel
broeken vanaf de middeleeuwen tot hooilanden omgevormd,
vandaar de secundaire betekenis van laaggelegen
hooilanden i.c. een ontwaterd moeras. De vroegere natte
veengronden waren geschikt voor de klot- of turfwinning.
Onder ‘broek’ verstaat men nu de moerassige oevers van
een riviertje met rijke onkruidvegetatie, vooral in het
najaar, maar ook gedurende de winter en het voorjaar
deels bedekt met water. Niet zelden groeiden er wilgen
waarvan de tenen voor het maken van allerlei vlechtwerk
werden gebruikt. De broekgronden hadden een economische
waarde. Gijsseling 1954; Molemans 1976:214; Buiks
1986 DL.19:14; Trommelen 1994:150.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 1, 2 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
Emmerincx Acker |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Emmericksacker (havelt) [GVE2-87 (1702)]
emmeric acker aent Beukelaer [GVE12-157v (1778)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Onbekende ligging aan het Beukelaar/Havelt. Het eerste
lid zal een persoonsnaam zijn,
maar
kan ook een afleiding zijn van (h)ammerik, dial. (h)emmerik,
personificering op
(e)rik
van ham (r.a.): stuk gelegen in een ham of kromming van
een waterloop (M. Top.
Valk.
-139).
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 13 |
|
Opmerkingen:
|
Dit perceel grensde wel aan een waterloop maar niet aan
een kromming daarvan. De veldnaam zal afgeleid zijn van
de naam van een eigenaar van vóór 1702.
|
|
Naam:
|
op het Havelt |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Uuyt
erffenissen aen dat havelt gelegen [GVIE2 (1443)]
in
die nederboect aent havelt Hs- (1519-1538)]
zijnen hoff ende lant aen't havelt [GVE15-33 (1624)]
uytten aabempt aen't havent [HH163-2 (1714-1783)]
hertgang 't havelt [GVE12-107 (1778)]
het
haveld [kad. (1832)]; D 1131-1256
het
haveld [N. (1883)]; D 1231 (b: 45.10)
In
't goet te hanvelt [BP1184-182v (1405)]
die
hoeve te hanevelt en die hoeve te hanenvelt [BP1208-229v
(1439)]
huis
die hovel aent haenvelt [Hs- (± 1495)]
sitis in prochia de Vechel ad locum dictum aent haenvelt
[GVIDI-3 (1532)]
't
goed van Haneveldt [Mrv1325-4 (1633)]
't
goed van Hanevelt, Vechel, genaemt de Lankveltse hoeve
[Mr92-72 (1780)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Buurtschap en gebied aan de oostzijde van de dorpskom,
zuidelijk van de weg naar Erp. Misschien een nevenvorm
van of ontstaan uit het toponiem Davelaar (zie Davelaar).
Op grond van bovenstaande opgave zou men gelijkenis
verwachten met Hamveld. Maar 't Havelt en 't Ham zijn
twee onderscheiden stukken grond. De namen zijn nog
algemeen bekend. Misschien is een etymologie oorspr.
hovevelt aanvaardbaar. Bij contractie (korte -e- staat
tussen gelijke consonanten) ontstaat hovelt. In
dialectische uitspraak misschien vervormd tot Havelt.
Bij deze constructie zou eveneens een naam "Hoffelt" of
"haffelt" mogelijk zijn. Een tweede mogelijkheid is
wellicht een vorm: ho-veld, een hoog veld.
Haanveld is vermoedelijk
identiek met het Hamvelt. Het eerste lid kan ook een
persoonsnaam zijn vgl. Henrick Willem die Haan 1431 (Kl.V.P.
-103v).
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
Hanvelt (Leenboeken 1312)
Soms staan haantoponiemen in verband met de cijns die op
het betreffende perceel rustte, een haan. Meestal echter
moest de cijnsplichtige kapoenen, ganzen of hoenders
leveren aan de cijnsheffer.
Ook kan het afleiding van een familienaam zijn, nl. de
familie Hanen, die verspreid voorkwam in de cijnskring.
Haannamen kunnen ook refereren aan plaatsen waar
hanengevechten werden gehouden of aan plaatsen waar
korhanen of patrijshanen voor kwamen. Het baltsen van
korhanen in het voorjaar gebeurde op speciale plekken op
de heide. Dit spectaculaire gebeuren in de vroege
ochtend zal niet onopgemerkt zijn gebleven. Korhoenders
komen voor in de overgangsgebieden tussen open
heidevelden en bossen en op de randen van de akkers,
moerasgebieden en broekgronden. De aanwezigheid van
bomen, bij voorkeur in verspreide lage bosjes grenzend
aan open plekken, ontstaan door afbranding, was
essentieel voor hun biotoop. De vogels fourageerden
daarbij op de (kleinschalige) akkers en broedden op de
heide. Benamingen naar vogelnamen komen in de toponymie
frequent voor.
De Vlierdense Haanakker is waarschijnlijk een
verbasterde vorm van de Hagenakker. Zo kan Handelaar
onder Kalmthout gevormd zijn vanuit Haanlaar.
Knippenberg 1954:106; Buiks 1990:99; Trommelen 1994:236;
Buiks & Leenders 1993 dl.3:313; Beijers 1992:146.
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 7 |
|
Opmerkingen:
|
Een iets oudere vermelding dan die gesignaleerd door
Beijers en Van Bussel is de persoonsnaam Willem van
Hanevelt vermeld in de uitgiftebrief van Jekschot in
1311. Havelt is waarschijnlijk een evolutie uit Hanevelt.
De verklaringen gegeven door Cornelissen zijn niet
overtuigend. Beijers en Van Bussel wijzen op de
mogelijkheid van een “cijnshaan”. Daarvoor bestaan geen
aanwijzingen. Blijven over: verwijzing naar een vogel,
of een persoonsnaam (of een onbekende andere
verklaring). Vernoeming van een gebied of perceel naar
een vogel was zeldzaam en vernoeming naar een persoon
gebruikelijk, zodat de verklaring “vernoeming naar een
persoon” de voorkeur verdient.
|
|
Naam:
|
op de Heesch |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Thyscamp in loco dicto in die hese [Hs- (± 1450)]
in
die heze [Hs- (1519-1538)]
heesch = de heeze, agter dorshout bij gelijke beemden
[Hs- (1535)]
d'lant in de hese aen malcanderen liggende [GVE15-67
(1624)]
huis
gen't de hees, int dorshout [RAV97-203v (1721)]
huis
int agterste dorshout genaamt de Hees van ouds bekend
met den naem van
cruijsbroere hoeve [RAV101-170 (1740)]
de
hees aan het Beukelaar [N (1868, 1883)], [V.-]; A 1063
(b: 41.20), 1064 (w: 24.20), B 1191, 1194 (b: 49.80),
1195 (b: 15.00).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Verspreide ligging, soms wellicht ook identiek met het
Heze(laar). Hees is een frekwent
voorkomende naam ter aanduiding van kreupelbos en van (vaak
uitgestrekte) kompleksen
land
(gerooid bos of door hees kreupelbos omheind land) (M.
Top. v. Bochholt -44).
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
‘Hees’ is over het algemeen laagstammig hout,
struikgewas of jonge bomen, afgeleid van het germ. *
haisi > hasi > hesi > hees. Het komt frequent voor,
zowel in plaats-, gehucht- als veldnamen. Veldnamen zijn
deels afgeleid van de gehuchtnaam ‘Hees’ zodat niet
altijd sprake is van verwijzing naar de oorspronkelijke
begroeiing. Hezemans meldt dat ‘hees’ aanvankelijk zowel
in Nederland, België, Duitsland als Engeland voorkomt
als jong beukenbos en later struikgewas van allerlei
loofhout. Het kan ook de benaming zijn voor een open
plek in een bos waar de Keltische god Hesus of Esus werd
vereerd.
Op de Hees onder Erp stond een heilige eik. In 1761 werd
daar ter plaatse het ‘land aan de H.Eik op Heesch’
vermeld. Langs de oude handelsroute Aken-Gulik-Nijmegen
moet in de buurtschap Hees bij Weeze een heiligdom met
offeraltaar voor Hesus opgericht zijn geweest.
Afleidingen van ‘hees’ zijn heester en heister met als
oude betekenis jonge loofboom, speciaal jonge beuk, maar
ook jonge eik. Van de gehuchtnaam de Hees zijn
familienamen afgeleid als van der Heze, Verhees,
Hezemans/Heesmans, Heesakkers e.d., die in de cijnskring
verspreid voorkomen. Het element ‘hees’ komt in Brabant
al vroeg voor. Het oorkondenboek meldt o.a. Hezia (784),
een gehucht onder Eersel, Hese (1203), Hesebenne (1225),
Heseuuic (1233).
Moerman 1956; Molemans 1976:477; Helsen 1978:56;
Molemans 1975:44; Mennen 1992:46; Hezemans 1970:68;
Meuwese 1955:125; vd Schaar 1969:118; Gijsseling 1960;
Smulders 1962; Beijers & Koolen 1988; Beijers 1992:
148,149, 239.
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 1 |
|
Opmerkingen:
|
- |
|
Naam:
|
Henskens Acker |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Een
stuck landts genaemt henskensakker (onder Eerde)
[GSO-262 (1617)]
henskens acker (heselaer) [GVE2-59 (1702)]
henskens acker aen de boekt [GVEI2-62 (1778)]
een
perceel teulland gelegen op de boekt genaemt
henskensakker [N (1816)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Onbekende ligging op de Boekt, Hezelaar en onder Eerde.
Het eerste lid is een persoonsnaam.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 19, 20 |
|
Opmerkingen:
|
Genoemd naar een eigenaar van vóór 1702. |
|
Naam:
|
Jacob Bijnen Acker |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
- |
|
Verklaring door Cornelissen:
|
-
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 13 |
|
Opmerkingen:
|
Genoemd naar een eigenaar van vóór 1801. |
|
Naam:
|
Lange Stukken |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
- |
|
Verklaring door Cornelissen:
|
- |
|
Ligging:
|
Perceel nr. 18 |
|
Opmerkingen:
|
Genoemd naar de vorm. |
|
Naam:
|
Loijen Acker |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Van
loyenacker (dorhout onder havelt) [GVE2-170 (1702)];
3 l.
teullandt op de boekt, genaemt Loijen acker [RAVllO-205v
(1792)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Onbekende ligging. Het eerste lid zal een persoonsnaam
zijn. |
|
Ligging:
|
Perceel nr. 15 |
|
Opmerkingen:
|
Genoemd naar een eigenaar van vóór 1763. |
|
Naam:
|
Meus Jaene Acker |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
-
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
-
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 5, 6 |
|
Opmerkingen:
|
Genoemd naar een eigenaar van vóór 1702. |
|
Naam:
|
Quade Coop |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Land
den quaeyen coop in die nederbiest [Hs- (1519-1538)]
genaemt den quaden coop gelegen binnen deeze parochie
van vechel opt zontvelt [GOI26-31 (1610)]
zijn
streepken met het hopveldeken daerneffen in de neerbiest
in de quaetcoop [GVEI5-137 (1624)]
de
kwade coop, dorshout [GVEII13 (1792)]
de
kwade koop op de hoge boekt [N (1847)]; D 111 (b:
25.90).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Verspreide ligging. |
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
Kwaad is een kwaliteitsaanduiding die gebruikt wordt in
de betekenis van onvruchtbaar of onbegaanbaar, bv. van
een straat. Het mnl. ‘quaet’ betekent: vuilnis, drek,
modder. Ook gaat het om percelen in een kwaad =
moerassig gebied. In de verbinding met broek resp. beemd
betekent het: drassig, met veel houtgewas en moeilijk te
bewerken. Soms is het tegenovergestelde bedoeld, nl. te
hoog gelegen. In Kwadijk veronderstelt men een slechte,
onbegaanbare en meestal onder water staande dijk. Een
dialectische vorm is ‘kaai’.
Buiks 1992:74; MWb dl.6:821; Molemans 1976:923.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 3, 4 |
|
Opmerkingen:
|
Spotnaam, verwijzend naar de slechte kwaliteit van de
grond. |
|
Naam:
|
Rijtje |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Te weten dat derde deel van de rijt [GVIE2 (1422)]
hoyvelt die ryth in die nederbiest [Hs- (1519-1538)]
twee stucxkens neffen de rijt in den d'avel1 [GVEI5-83
(1624)]
int reijtie (den biesen) [GVE2-285 (1702)]; de reydt,
crekelhoff [RAVI59-157v (1752)]
de rijt [kad. (1832)]; C 461-472
de ryt [N (1876, 1882, 1883, 1884)]; C 471-472 (he:
7.09.50), D 108-109 (b en w: 74.10), 172 (b: 62.30), E
1049 (ho: 25.60) 790 en weg. (he: 5.83.10)
de rijdt [V.-]; B 404 (b: 56.80); de reytjes [V.-] B 1,
5, 6 (w: 95.50)
de rijt [V.-]; D 108 (b: 42.50); de rijtjes [V.-]; E
764-765 (b: 0.18.19; w: 0.20.50).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Gebied liggend tussen de Heuvel en Blankenburg, tevens
verspreid liggende percelen.
Wellicht benoeming naar de ligging aan een rijt
"waterloop" (M. Top. Valk.-219). |
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel: |
Er zijn bij rijt diverse oudere varianten denkbaar zoals
ret, retten, rit, ride en de diminutieven rijtke, reitke,
rie(t)ke en retke. Het is mogelijk de meest voorkomende
waternaam geweest afgeleid van het germ. * ridha = beek,
waterloop.
In veel gevallen komt ‘rijt’ voor als benaming van
landerijen; de naam van het water is overgedragen op
het aangrenzende land. Dit getuigt van de ouderdom van
de naam. De primaire betekenis is kleine waterloop.
Volgens Beex zou een rijt vooral het dalvormig begin
zijn van een beek, een soort komvormige laagte.
Onder Alphen is de naam Rijt al bekend in 1295. Rijten
waren al of niet gegraven waterlopen. Het is een
soortnaam zoals bv. ven, goor, meer, broek en weijer. De
rijten, goren en broeken hadden een regelende functie in
de waterstand der riviertjes. Bij veel regen hielden ze
veel water vast en bij droogte bleef het wegsijpelende
water van de reservevoorraad voldoende om de riviertjes
en beken stromend te houden.
Beex 1964:26; Buiks 1992:20; Molemans 1976:1334;
v.Berkel & Samplonius 1989:153; Buiks & Leenders 1993
dl.2: 97; Buiks & Leenders 1993 dl.3:230.
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 4 |
|
Opmerkingen:
|
- |
|
Naam:
|
Schuppen Streep |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Cornelissen signaleert alleen de Schuppenstreep aan de
Hoogeinde |
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Het eerste lid is een persoonsnaam. |
|
Ligging:
|
Perceel nr. 10 |
|
Opmerkingen:
|
Genoemd naar een eigenaar van vóór 1722. |
|
Naam:
|
Seeve Streepen |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Landt de seve streepen [GVE12-56 (1778)]
de
zeven strepen [N (1838, 1842, 1853)]; D 110 (b: 60.30),
123 (b: 26.20), 126 (b: 33.90)
de
zeven streepen [N (1853, 1865, 1871,1883)]; D 110 (b:
60.30), 124 (b: 26.60), 125 (b: 50.80), 126 (b: 33.90).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Ligging op de Hoge Boekt. Benoeming naar de ligging in
zeven "strepen" percelen.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 7-12 lagen in de Seven Streepen, perceel
nrs. 3, 4, en 14 aen de Seven Streepen
|
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
St. Tonis Acker |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
St.
tonisecker drije stucken en 't stucxken neffen de straet
aen 't cruys [GVE15-39
(1624)]
van
st. antoniseckerken [GVE15-87 (1624)]
st.
antonis acker [GVE12-176 (1777)]
sinttheunisakker op de hoge boekt [N (1866, 1883,
1884)]; D 55 (b: 65.30), 58 (b: 61.00), 61 (b: 38.40).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Ligging op de Hoge Boekt. Benoeming naar Sint Antonius.
Wellicht verbonden met het
Sint
Antoniusgilde of de Sint Antoniuskapel. |
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 16, 17 |
|
Opmerkingen:
|
Deze akker zal wel bezit van de Sint-Antonius kapel op
het Havel geweest zijn.
|
|
Naam:
|
Wendelsacker |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Een
parceel teullandt, groese, houtwasch en geregtigheden
gelegen aent beukelaer, genaemt den agterste wendels
acker, groot ontr. 21h 1. een zijde gemeene straet, een
eind de voorste wendels acker [RAV-110-80v (1789)].
Een
parceel teullandt, canten, houtwasch en geregtigheden
aent beukelaer, genaemt den voorste wendels acker, groot
ontr. 4 1. aan een eijnde den agterste wendelsacker
[RAV-110-
80v
(1789)].
Wendels acker [GVEI2-107 (1778)]; aan het beukelaar
genaamd wendelsakker [N
(1819)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Onbekende ligging aan het Beukelaar. Het eerste lid zal
een persoonsnaam zijn.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 5, 6. Perceel nr. 5 was de Voorste
Wendelsacker en perceel nr. 6 de Agterste Wendelsacker
|
|
Opmerkingen:
|
Genoemd naar een eigenaar van vóór 1722. |
|