Nederboekt - toponiemen

Naam:

 

int Akert

Vermeldingen door Cornelissen:

 

In loco dicto die akart [Hs-4 (+/- 1380)]

 

ad locum dictum op Akert in loco dicto die snelvenne [Hs-4 (+/- 1390)]

 

twee streepen land int akart [BP 1190-182v (1417)]

 

akart [GVEIIE2-39 (+/- 1500)]

 

twee stucken in d’akert aent Snelven [GVE15-45 (1624)

 

lant de steen int aeckert [GVE2-120 (1702)]

 

‘t boekstuk bij akart [GVE13 (1792)]

 

de akert [kad. (1832)], [V.]; D 311-339 (bo: 15.29.70; wa: 25.60)

 

het akert [N (1839)]; D 339 (bo: 3.51.50)

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Waarschijnlijk is akart en aeckert een samenvatting van aa-akkers

 

Verklaring door Beijers en Van Bussel:

 

In ‘Akert’ is het bekende t-suffix herkenbaar als verzamelnaam van akker. De oudste vermelding van ‘akker’ komt voor in het Fragmentum Bladiniense uit de 9e eeuw. Akker wordt geïnterpreteerd als: bouwland behorend bij de dorpsgemeenschap. Deze omschrijving slaat op de bekende dorpsakkers c.q. gehuchtakkers. Ook is gedacht aan de betekenis van ‘het omheinde veld’. Er wordt een verband verondersteld tussen frequentie van akkernamen en bevolkingsdichtheid in het oude Toxandrië. Volgens Molemans zouden akkernamen het meest voorkomen op de oevers van de Weerijs met de zijbeken en langs de Dommel. In de zuidelijke Belgische Kempen ontbreken ze, maar ze worden wel aangetroffen in Belgisch Limburg. Het dichtstbevolkte deel van Toxandrië zou het noordoostelijk deel van de provincie Antwerpen en het aansluitend Nederlands territorium omvat hebben.

 

In de Baronie schijnen dorpsakkers en daarmee ook nederzettingen frequent te liggen langs Weerijs en Mark. Akker, kouter en es dekken aanvankelijk hetzelfde begrip, nl. het gemeenschappelijk ingesloten bouwland van een bevolkingsgroep.

In het oosten van Nederland kunnen twee hoofdgroepen in de bebouwingswijze onderscheiden worden, nl.: grote aaneengesloten akkercomplexen en kleine met bomen en akkermaalshout omgeven stukken akkerland in de vorm van ‘kampen’. Binnen de dorpsakkers waren geen heggen of wallen. De scheiding tussen de percelen moest met ploegvoren, scheikeien of bomen worden aangegeven. In Belgische toponymische studies over het zuiden van het oude hertogdom Brabant wordt regelmatig gesteld dat rond het gebruik van de dorpsakkers in de zgn. dorpskeurboeken regels waren opgesteld.

Akker­namen komen in de cijnskring Helmond frequent voor, zowel met voor- als achtervoegsels, met persoons-, flora- en faunanamen [redactie].

 

(Helsen 1952:127; Lindemans 1940-1954 dl.3; Gijsseling 1978, Buiks 1990:47; Helsen & Helsen 1978; De Vries 1958; Molemans 1977; Slicher van Bath 1944:2; Buiks 1983 dl.2:28)

 

Ligging:

 

Perceel nr. 15

Opmerkingen:

 

-

 

 

 

Naam:

 

op de Boekt

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Sita in prochia de Vechel ad locum dictum op die boect [GVIE2 (1438)]

 

de boekt [Hs(1682)]

 

lant en venneke op de boekt [GVE12 (1778)]

 

de boekt [N. (1874, 1884, 1892)]; D 57 (b: 37.90), 211 (b: 27.10), 222 (b: 78.20).

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Een groot deel van het huidige Veghel-Zuid, oostelijk van de Aa droeg van oudsher deze

naam. Het winkelcentrum ter plaatse is ernaar genoemd.

 

Plaats waar beuken groeien. Boek = beuk. De -t- duidt op de kollektieve suffix (Hs-).

 

Verklaring door Beijers en Van Bussel:

 

Varianten met een verzamelsuffix zijn o.a. Boekt en Bokt en met een tot de lo-formatie behorende uitgang, nl. -el in bv. Beukel.

 

Beuken groeien het beste op leemhoudende vochtige gronden. Het element kan zijn af­geleid van het germ. * boko mnl. boeke, boucke = beuk (Fagus silvatica). De beuk komt zo­wel in het wild als aangeplant voor. De vormen met een verzamelsuffix-t herinneren ons aan middeleeuwse ontginningsactiviteiten, waarbij de ontbossing van het gemengde eiken- en beukenbosarsenaal ter hand werd genomen om meer cultuurgrond voor de akkerbouw te creëren. Deze vorm van ontboss­ing is al in de vroege middeleeuwen ingezet en naarmate de bevolking toenam werd die intensiever [redactie]. (Buiks 1990:56; Helsen 1978:126.)

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 10, 11, 13, 14, 15, 18

Opmerkingen:

 

-

 

 

 

 

Naam:

 

Diepenbroeck

Vermeldingen door Cornelissen:

 

In loco dicto die diepenbroeck [Hs- (± 1390)]

 

peciam terre deam dat diepenbroeck [GVIE2 (1422)]

 

land dat diepenbroeck int Davelaer [Hs- (1519-1538)]

 

zijn diepenbroeck in den d'avelt [GVEI5-137 (1624)]

 

landt aent Beukelaer Diepenbroek [GVEI2-54 (1778)].

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Onbekende ligging ongeveer op de scheiding van de gebieden Nederboekt, Beukelaar en

Stad. Het woord "diep" kan in het Middelnederlands behalve de diepte ook de samenstelling

van de bodem aanduiden. Het bekende liedje: "dan zijn de paadjes diep, ja diep", is

hier een voorbeeld van. Hier betekent "diep" misschien "modderig, moerassig".

 

Verklaring door Beijers en Van Bussel:

 

Een diep kan een natuurlijk of gegraven water zijn, een geul in een water, afgeleid van het germ. * diub = diepe of moerassige plaats. Waar dit element voorkomt in combinatie met ‘straat’ gaat het om wegen die lager liggen dan de onmiddellijke omgeving. Een dergelijke ligging kan ontstaan doordat de akkers langs de straat bolvormig zijn en iets hoger liggen vanwege hun zware esdek. Ook kan zo’n Diepstraat tussen twee wallen in liggen waardoor de straat relatief laag kwam te liggen. Diep duidt in het algemeen op laagte. In Diept is het verzamelsuffix -t aanwezig, wat een complex laaggelegen percelen aangeeft. In het Vlierdense voorbeeld is een afleiding en verschrijving van ‘de eept’ in ‘d’eept’ niet uitgeslo­ten [redactie]. Moerman 1956:50; Buiks 1984 dl.9:26.

 

Algemeen wordt aangenomen dat Broek een afleiding is van het germ. * brôka, wat staat voor moerassig en laaggelegen land. Het komt in de cijnskring frequent voor zowel als element in diverse samenstellingen als in de namen van enkele hoeven die ‘ten Broeke’ worden genoemd. Door geschikte afwateringsmethoden zijn veel broeken vanaf de middeleeuwen tot hooilanden omgevormd, vandaar de secundaire betekenis van laaggelegen hooilanden i.c. een ontwaterd moeras. De vroegere natte veengronden waren geschikt voor de klot- of turfwinning. Onder ‘broek’ verstaat men nu de moerassige oevers van een riviertje met rijke onkruidvegetatie, vooral in het najaar, maar ook gedurende de winter en het voorjaar deels bedekt met water. Niet zelden groeiden er wilgen waarvan de tenen voor het maken van allerlei vlechtwerk werden gebruikt. De broekgronden hadden een economische waarde. Gijsseling 1954; Molemans 1976:214; Buiks 1986 DL.19:14; Trommelen 1994:150.

 

Opmerkingen:

 

-

 

 

 

Naam:

 

Geer

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Verspreide ligging.

Verklaring door Cornelissen:

 

Benoeming naar de vorm. De primaire betekenis van geer is speer en overdrachtelijk een puntig toelopend stuk

 

(Verwijs en Verdam II -1497; Schönfeld 1950-112; Bach 1953-263; Dittmayer 1963-87; M. Top. Bach -169).

 

Verklaring door Beijers en Van Bussel:

 

Geer behoort tot het levende taalbezit en is een vormaanduiding. Het is een driehoekig stuk land of althans een stuk land waarvan twee overstaande zijden niet evenwijdig lopen. Als die zijden bovendien nog krom waren werd later gesproken van een Amerikaanse of Vlaamse geer. Een modern equivalent is ‘spie’ of ‘tip’, een puntig toelopend stuk land. In de Baronie treft men complexnamen aan met ‘geer’. De geer-namen voor afzonderlijke percelen hebben nagenoeg allemaal betrekking op akkers. Bij weilanden en beemden was volgens Buiks de vorm immers van veel minder belang dan bij de akkers.

 

Buiks 1990:93; Moerman 1956:70; de Vries 1962:62; v.Berkel & Samplonius 1989:63

 

Ligging:

 

Perceel nr. 12

Opmerkingen:

 

-

 

 

 

Naam:

 

Gijsenacker

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Landt aent havelt gijsenacker [GVEI2-123v (1778)]

 

eenen acker teulland, canten, houtwas, voorpoting en geregtigheden aan de leest in de brugge, genaamt Gijsenacker, groot ontrent 6 loop [RAV112-229 (1799)].

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Onbekende ligging op het Havelt aan de Leest.

Ligging:

 

Perceel nr. 1

Opmerkingen:

 

Genoemd naar een eigenaar.

 

 

 

 

Naam:

 

aent Havelt

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Uuyt erffenissen aen dat havelt gelegen [GVIE2 (1443)]

 

in die nederboect aent havelt Hs- (1519-1538)]

 

zijnen hoff ende lant aen't havelt [GVE15-33 (1624)]

 

uytten aabempt aen't havent [HH163-2 (1714-1783)]

 

hertgang 't havelt [GVE12-107 (1778)]

 

het haveld [kad. (1832)]; D 1131-1256

 

het haveld [N. (1883)]; D 1231 (b: 45.10)

 

In 't goet te hanvelt [BP1184-182v (1405)]

 

die hoeve te hanevelt en die hoeve te hanenvelt [BP1208-229v (1439)]

 

huis die hovel aent haenvelt [Hs- (± 1495)]

 

sitis in prochia de Vechel ad locum dictum aent haenvelt [GVIDI-3 (1532)]

 

't goed van Haneveldt [Mrv1325-4 (1633)]

 

't goed van Hanevelt, Vechel, genaemt de Lankveltse hoeve [Mr92-72 (1780)].

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Buurtschap en gebied aan de oostzijde van de dorpskom, zuidelijk van de weg naar Erp. Misschien een nevenvorm van of ontstaan uit het toponiem Davelaar (zie Davelaar). Op grond van bovenstaande opgave zou men gelijkenis verwachten met Hamveld. Maar 't Havelt en 't Ham zijn twee onderscheiden stukken grond. De namen zijn nog algemeen bekend. Misschien is een etymologie oorspr. hovevelt aanvaardbaar. Bij contractie (korte -e- staat tussen gelijke consonanten) ontstaat hovelt. In dialectische uitspraak misschien vervormd tot Havelt. Bij deze constructie zou eveneens een naam "Hoffelt" of "haffelt" mogelijk zijn. Een tweede mogelijkheid is wellicht een vorm: ho-veld, een hoog veld.

 

Haanveld is vermoedelijk identiek met het Hamvelt. Het eerste lid kan ook een persoonsnaam zijn vgl. Henrick Willem die Haan 1431 (Kl.V.P. -103v).

 

Verklaring door Beijers en Van Bussel:

 

Hanvelt (Leenboeken 1312)

 

Soms staan haantoponiemen in verband met de cijns die op het betreffende perceel rustte, een haan. Meestal echter moest de cijnsplichtige kapoenen, ganzen of hoenders leveren aan de cijnsheffer.

 

Ook kan het afleiding van een familienaam zijn, nl. de familie Hanen, die verspreid voorkwam in de cijnskring.

 

Haannamen kunnen ook refereren aan plaatsen waar hanengevechten werden gehouden of aan plaatsen waar korhanen of patrijshanen voor kwamen. Het baltsen van korhanen in het voorjaar gebeurde op speciale plekken op de heide. Dit spectaculaire gebeuren in de vroege ochtend zal niet onopgemerkt zijn gebleven. Korhoenders komen voor in de overgangsgebieden tussen open heidevelden en bossen en op de randen van de akkers, moerasgebieden en broekgronden. De aanwezigheid van bomen, bij voorkeur in verspreide lage bosjes grenzend aan open plekken, ontstaan door afbranding, was essentieel voor hun biotoop. De vogels fourageerden daarbij op de (kleinschalige) akkers en broedden op de heide. Benamingen naar vogelnamen komen in de toponymie frequent voor.

 

De Vlierdense Haanakker is waarschijnlijk een verbasterde vorm van de Hagenakker. Zo kan Handelaar onder Kalmthout gevormd zijn vanuit Haanlaar.

 

Knippenberg 1954:106; Buiks 1990:99; Trommelen 1994:236; Buiks & Leenders 1993 dl.3:313; Beijers 1992:146.

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 6, 16-19, 22, 23

Opmerkingen:

 

Een iets oudere vermelding dan die gesignaleerd door Beijers en Van Bussel is de persoonsnaam Willem van Hanevelt vermeld in de uitgiftebrief van Jekschot in 1311. Havelt is waarschijnlijk een evolutie uit Hanevelt.

 

De verklaringen gegeven door Cornelissen zijn niet overtuigend. Beijers en Van Bussel wijzen op de mogelijkheid van een “cijnshaan”. Daarvoor bestaan geen aanwijzingen. Blijven over: verwijzing naar een vogel, of een persoonsnaam (of een onbekende andere verklaring). Vernoeming van een gebied of perceel naar een vogel was zeldzaam en vernoeming naar een persoon gebruikelijk, zodat de verklaring “vernoeming naar een persoon” de voorkeur verdient.

 

 

 

 

Naam:

 

Heestervelt

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Corneliisen signaleert alleen een Heestervelt in Eerde

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Hees is een frekwent voorkomende naam ter aanduiding van kreupelbos en van (vaak uitgestrekte) kompleksen land (gerooid bos of door hees kreupelbos omheind land) (M. Top. v. Bochholt -44).

 

Verklaring door Beijers en Van Bussel:

 

Hees’ is over het algemeen laagstammig hout, struikgewas of jonge bomen, afgeleid van het germ. * haisi > hasi > hesi > hees. Het komt frequent voor, zowel in plaats-, gehucht- als veldnamen.

 

Veldnamen zijn deels afgeleid van de gehuchtnaam ‘Hees’ zodat niet altijd sprake is van verwijzing naar de oorspronkelijke begroeiing. Hezemans meldt dat ‘hees’ aanvankelijk zowel in Nederland, België, Duitsland als Engeland voorkomt als jong beukenbos en later struikgewas van allerlei loofhout. Het kan ook de benaming zijn voor een open plek in een bos waar de Keltische god Hesus of Esus werd vereerd.

 

Op de Hees onder Erp stond een heilige eik. In 1761 werd daar ter plaatse het ‘land aan de H.Eik op Heesch’ vermeld. Langs de oude handelsroute Aken-Gulik-Nijmegen moet in de buurt­schap Hees bij Weeze een heiligdom met offeraltaar voor Hesus opgericht zijn geweest. Afleidingen van ‘hees’ zijn heester en heister met als oude betekenis jonge loofboom, speciaal jonge beuk, maar ook jonge eik. Het element ‘hees’ komt in Brabant al vroeg voor. Het oorkondenboek meldt o.a. Hezia (784), een gehucht onder Eersel, Hese (1203), Hesebenne (1225), Heseuuic (1233). 

 

Moerman 1956; Molemans 1976:477; Helsen 1978:56; Molemans 1975:44; Mennen 1992:46; Hezemans 1970:68; Meu­wese 1955:125; vd Schaar 1969:118; Gijsseling 1960; Smulders 1962; Beijers & Koolen 1988; Beijers 1992: 148,149, 239.

 

Ligging:

 

Perceel nr. 11

Opmerkingen:

 

Veld begroeid met heesters.

 

 

 

Naam:

 

Hontstart

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Cornelissen vond deze veldnaam op de Boekt en op het Dorshout. Wat het Boekt betreft:

 

De hontstae(r)t, nederboekt [Hs- (1532)]

 

hondstertje of hondstaet, leege boekt naast gijsenakker bij hendriek geert roef [Hs- (1590)]

 

van heilige geest lant den honstart int akert [GVE15-34 (1624)]

 

lant den hontstaert op de boekt [GVE12-117 (1778)]

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Benoeming naar de vorm.

Ligging:

 

Perceel nrs. 13, 15

Opmerkingen:

 

Op de kaart is bij perceel nr. 15 de lange uitloper naar het zuiden te zien, waaraan dit perceel zijn naam te danken heeft.

 

 

 

 

Naam:

 

Kesselacker

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Twee stucxkens ende een hoecxken in de kesselecker [GVE15-36 (1624)]

 

landt den kesselacker [GVE12-81 (1778)]

 

kesselakker, havelt, leege boekt [GVIIE13 (1792)]

 

een perceel bouwland genaamd de kesselakker in het Havelt, kesselakker aan de Nederboekt [N (1842, 1847, 1888)]; D 177, 178 (b: 96.60), 179 (b: 46.80), 189 (b: 87.10).

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Ligging op de Lage Boekt. Benoeming naar de bodemgesteldheid, i. c. naar de hinderlijke aanwezigheid van een grintsubstraat (p.D.K.: matig droge zandleemgrond met grintsubstraat). Mnl. kesel, keisel, kiezelsteen (Mnl.Wb.IIl). Cfr. ook: Kiliaan -290 kesel(steen), keselingh "silex"; W.N. T. VII 2734-35 kezel "keisteen".

 

Verklaring door Beijers en Van Bussel:

 

Het kan een verwijzing zijn naar de bodemgesteldheid van een bepaald perceel i.c. naar de hinderlijke aanwezigheid van een grindsubstraat. Het mnl. ‘kesel’ of ‘keisel’ zou kiezelsteen betekenen. Ook elementen als kiezel en kissel zouden hiermee in verband kunnen staan.

 

Verdam 1932:289; WNT dl.7:2734; Lindemans 1952.

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 16-18, 20, 21. Perceel 10 lag naast de Kesselacker

Opmerkingen:

 

De vernoeming naar een eigenaar mag nog niet uitgesloten worden.

 

 

 

 

Naam:

 

Crommen streep

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Cornelissen signaleert deze veldnaam op verschillende plaatsen in Veghel

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Genoemd naar de vorm

Ligging:

 

Perceel nr. 12

Opmerkingen:

 

-

 

 

 

Naam:

 

aent Cruijs

Vermeldingen door Cornelissen:

 

't cruys opte boct [GVEI5-69 (1624)]

 

landt aent cruys [GVEI2-145 (1778)]

 

het kruis [N (1835, 1844)]; D 229, 232233 (b: 67.90).

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Ligging op de Ronde Bult. Ter plaatse zal eens een kruis gestaan hebben.

 

Verklaring door Beijers en Van Bussel:

 

Kruis zal verwijzen naar weg-, hagel­- en zoenkruisen. Op grenzen werden soms grenskruisen geplaatst. Ook kan een verband bestaan met een in de buurt liggende kruiseik. De kruiseik vertegenwoordigt een relict uit een ver verleden, toen de bomen nog vereerd werden. Kruis kan ook betrekking hebben op een gewone kruising van wegen.

 

Buiks 1990:112; Buiks 1990:131; Molemans 1976:904; Buiks 1988 dl.22:103

 

Ligging:

 

Perceel nr. 8. Oude Kerkhof, nrs, 6, 7 en 9 werden het Kruijs genoemd en Oude Kerkhof nrs. 6, 9, 10 en 12 aent Kruijs. Het kruijs zal langs de weg gestaan hebben. De precieze lokatie van dat Kruijs is onzeker.

 

Opmerkingen:

 

-

 

 

 

Naam:

 

Leegboekt

Vermeldingen door Cornelissen:

 

De geer - leege boekt in de bolck [Hs- (1531)]

 

een parthije landt op de leeg boekt [GVEI2-40 (1778)]

 

lage boekt of nederboekt [H.- (1956)].

 

Ad locum dictum aen gheen hamvelt in der nederboect, ook lage boekt [BP1249 (13501400)]

 

in die nederboect aent havelt [Hs- (1519-1538)]

 

jan tys jacob hof, nederboekt [Hs- (1615)]

 

de nederboekt [kad, (1832)]; D 129-195.

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Dit gebied ligt oostelijk van de Hoge Boekt, begrensd door de Heuvel, de binnenweg naar

Erp en de zijweg daarvan, uitkomend op de Scheijelaar. Het gebied ligt niet duidelijk

lager dan de Hoge Boekt, maar kent niet zoals dit een scherp hoogteverschil met enige

aangrenzende gebieden.

 

Ligging:

 

Perceel nr. 4. Perceel nrs. 2, 6, 7, 12, 15, 16 lagen in de Leegboekse tiende, of de Nederboecsche tiende

 

Opmerkingen:

 

-

 

 

 

 

Naam:

 

Rijt

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Te weten dat derde deel van de rijt [GVIE2 (1422)]

 

hoyvelt die ryth in die nederbiest [Hs- (1519-1538)]

 

twee stucxkens neffen de rijt in den d'avel1 [GVEI5-83 (1624)]

 

int reijtie (den biesen) [GVE2-285 (1702)]; de reydt, crekelhoff [RAVI59-157v (1752)]

 

de rijt [kad. (1832)]; C 461-472

 

de ryt [N (1876, 1882, 1883, 1884)]; C 471-472 (he: 7.09.50), D 108-109 (b en w: 74.10), 172 (b: 62.30), E 1049 (ho: 25.60) 790 en weg. (he: 5.83.10)

 

de rijdt [V.-]; B 404 (b: 56.80); de reytjes [V.-] B 1, 5, 6 (w: 95.50)

 

de rijt [V.-]; D 108 (b: 42.50); de rijtjes [V.-]; E 764-765 (b: 0.18.19; w: 0.20.50).

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Gebied liggend tussen de Heuvel en Blankenburg, tevens verspreid liggende percelen.

Wellicht benoeming naar de ligging aan een rijt "waterloop" (M. Top. Valk.-219).

Verklaring door Beijers en Van Bussel:

Er zijn bij rijt diverse oudere varianten denkbaar zoals ret, retten, rit, ride en de diminutieven rijtke, reitke, rie(t)ke en retke. Het is mogelijk de meest voorkomende waternaam geweest afgeleid van het germ. * ridha = beek, waterloop.

 

In veel gevallen komt ‘rijt’ voor als benaming van landerij­en; de naam van het water is overgedragen op het aangrenzende land. Dit getuigt van de ouderdom van de naam. De pri­maire betekenis is kleine waterloop.

 

Volgens Beex zou een rijt vooral het dalvormig begin zijn van een beek, een soort komvormige laagte.

 

Onder Alphen is de naam Rijt al bekend in 1295. Rijten waren al of niet gegraven waterlopen. Het is een soortnaam zoals bv. ven, goor, meer, broek en weijer. De rijten, goren en broeken hadden een regelende functie in de waterstand der riviertjes. Bij veel regen hielden ze veel water vast en bij droogte bleef het wegsijpelende water van de reservevoorraad voldoende om de riviertjes en beken stromend te houden.

 

Beex 1964:26; Buiks 1992:20; Molemans 1976:1334; v.Berkel & Samplonius 1989:153; Buiks & Leenders 1993 dl.2: 97; Buiks & Leenders 1993 dl.3:230.

 

Ligging:

 

Perceel nr. 6. perceel nr. 2 en 7 lagen naast of aan de Rijt

Opmerkingen:

 

-

 

 

 

Naam:

 

Reytstuck

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Reytstuk nederboekt [Hs- (1532)]

 

't ryt stuck in den d'avell [GVE15-147 (1624)]

 

rijdt stuk in de stadt [GVE12-130 (1777)].

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Onbekende ligging in het gebied de Stad e.a. Benoeming naar de ligging aan een rijt,

waterloop. Het eerste lid is mogelijk een persoonsnaam vgl. Bartholomeus van de Rijt,

1851 (Kl.Bev. V.).

 

Ligging:

 

Perceel nr. 1

Opmerkingen:

 

Dit perceel is mijns inziens genoemd naar de aangrenzende Rijt.

 

 

 

 

Naam:

 

Streepje

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Cornelissen signaleert dit toponiem op verschillende plaatsen in Veghel.

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Benoeming naar de vorm. Langwerpige percelen.

 

Verklaring door Beijers en Van Bussel:

Een ‘streep’ is de gangbare benaming voor een langgerekte smalle akker of strook land. Het betreft een vormaanduiding. Meestal liggen percelen met deze naam in de dorpsakkers. In het oosten van Brabant bestond een deel van de oude dorpsakkers uit smalle percelen, door Kakebeeke aangeduid als ‘langrepelakkers’. Het element ‘streep / strijp’ zou ook voorkomen in laat ontgonnen beemden- en moerasgebieden. Turfvelden waren altijd in kleinere stroken verdeeld. In beemdgebieden was een groot aantal waterafvoerende sloten noodzakelijk, vandaar dat daar vaak smalle percelen voorkomen.

 

(Buiks 1990:193; Molemans 1976:1518; Moerman 1956:223; Kakebeeke 1975:36; v.Berkel & Samplonius 1989:174.)

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 2, 3

Opmerkingen:

 

-

 

 

 

 

Naam:

 

Toorenstuck

Vermeldingen door Cornelissen:

 

Het toorenstuck (havelt) [GVE2-139 (1702)]

 

landt het toornstuk [GVEI2-113 (1778)]

 

een perceel teulland groeskante, houtwasch en geregtigheden gelegen op de boeckt

genaemt het torenstuk [N (1815)].

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Onbekende ligging in het gebied Boekt/Havelt. Benoeming naar de ligging nabij een toren; gezien de ligging komt misschien eerder de St. Antoniuskapel op het Havelt, die wellicht een torentje gehad heeft, in aanmerking dan de kerktoren van de (oude) Lambertuskerk. Het eerste lid zou ook een persoonsnaam kunnen zijn vgl. Hendrik Torn, 1831 (Kl.Bev. V.).

 

Ligging:

 

Perceel nr. 8

Opmerkingen:

 

Het zou ook om de toren van een verdwenen kerk op het Havelt kunnen gaan. Zie het artikel over de eerste kerk.

 

 

 

 

Naam:

 

Voortacker, Vooracker, Veeracker

Vermeldingen door Cornelissen:

 

In die voertacker, aldaar, aen daude brugge [BP1192-194v, 195 (1421)]

 

de voirt(acker) nederboekt [Hs- (1533)]

 

't voorteckerken in die neerboekt [GVE15-39 (1624)]

 

landt op de leeg boekt, de voortacker [GVE12-40 (1778)].

 

Een parthye landt op de leeg boekt den vooracker [GVE12-40 (1778)]

 

de voorakker [N (1835, 1874)]; D 169 (b: 25.00), 174 (b: 29.90).

 

De veirecker oyck mede toecomende henrick zijnen broeder in de neerboect [GVEI5-30

(1624)]

 

landt en dries den veeracker in leegboekse tiende [GVEI2-155v (1778)].

 

Verklaring door Cornelissen:

 

Benoeming naar een doorwaadbare plaats. Mnl. voort, vort, voirt "ondiepe doorwaadbare plaats; plaats waar men door een water kan gaan" (Top. v. Valk. -258).

 

"Veer" kan ook de betekenis hebben van "ver" (Verwijs en Verdam -1346); een afgelegen akker. Of een persoonsnaam vgl. Johanna de Veer, 1849 (Kl.Bev. V).

 

Ligging:

 

Perceel nrs. 9, 10, 14, 15

Opmerkingen:

 

Voortacker lijkt de oudste vorm te zijn. De betreffende voort zal dan wel op de plaats gelegen hebben waar de Boektstraat de Rijtloop kruist.

 

Afkortingen Cornelissen     Afkortingen Beijers-Van Bussel     Kaart van Veghel     Nederboekt