|
Naam:
|
int Akert |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
In
loco
dicto die akart [Hs-4 (+/- 1380)]
ad
locum dictum op Akert in loco dicto die snelvenne [Hs-4
(+/- 1390)]
twee
streepen land int akart [BP 1190-182v (1417)]
akart [GVEIIE2-39 (+/- 1500)]
twee
stucken in d’akert aent Snelven [GVE15-45 (1624)
lant
de steen int aeckert [GVE2-120 (1702)]
‘t
boekstuk bij akart [GVE13 (1792)]
de
akert [kad. (1832)], [V.]; D 311-339 (bo: 15.29.70; wa:
25.60)
het
akert [N (1839)]; D 339 (bo: 3.51.50)
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Waarschijnlijk is akart en aeckert een samenvatting van
aa-akkers
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
In ‘Akert’ is het bekende t-suffix herkenbaar als
verzamelnaam van akker. De oudste vermelding van ‘akker’
komt voor in het Fragmentum Bladiniense uit de 9e eeuw.
Akker wordt geïnterpreteerd als: bouwland behorend bij
de dorpsgemeenschap. Deze omschrijving slaat op de
bekende dorpsakkers c.q. gehuchtakkers. Ook is gedacht
aan de betekenis van ‘het omheinde veld’. Er wordt een
verband verondersteld tussen frequentie van akkernamen
en bevolkingsdichtheid in het oude Toxandrië. Volgens
Molemans zouden akkernamen het meest voorkomen op de
oevers van de Weerijs met de zijbeken en langs de
Dommel. In de zuidelijke Belgische Kempen ontbreken ze,
maar ze worden wel aangetroffen in Belgisch Limburg. Het
dichtstbevolkte deel van Toxandrië zou het
noordoostelijk deel van de provincie Antwerpen en het
aansluitend Nederlands territorium omvat hebben.
In de Baronie schijnen dorpsakkers en daarmee ook
nederzettingen frequent te liggen langs Weerijs en Mark.
Akker, kouter en es dekken aanvankelijk hetzelfde
begrip, nl. het gemeenschappelijk ingesloten bouwland
van een bevolkingsgroep.
In het oosten van Nederland kunnen twee hoofdgroepen in
de bebouwingswijze onderscheiden worden, nl.: grote
aaneengesloten akkercomplexen en kleine met bomen en
akkermaalshout omgeven stukken akkerland in de vorm van
‘kampen’. Binnen de dorpsakkers waren geen heggen of
wallen. De scheiding tussen de percelen moest met
ploegvoren, scheikeien of bomen worden aangegeven. In
Belgische toponymische studies over het zuiden van het
oude hertogdom Brabant wordt regelmatig gesteld dat rond
het gebruik van de dorpsakkers in de zgn.
dorpskeurboeken regels waren opgesteld.
Akkernamen komen in de cijnskring Helmond frequent
voor, zowel met voor- als achtervoegsels, met persoons-,
flora- en faunanamen [redactie].
(Helsen 1952:127; Lindemans 1940-1954 dl.3;
Gijsseling 1978, Buiks 1990:47; Helsen & Helsen 1978; De
Vries 1958; Molemans 1977; Slicher van Bath 1944:2;
Buiks 1983 dl.2:28)
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 15 |
|
Opmerkingen:
|
- |
|
Naam:
|
op de Boekt |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Sita
in prochia de Vechel ad locum dictum op die boect [GVIE2
(1438)]
de
boekt [Hs(1682)]
lant
en venneke op de boekt [GVE12 (1778)]
de
boekt [N. (1874, 1884, 1892)]; D 57 (b: 37.90), 211 (b:
27.10), 222 (b: 78.20).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Een
groot deel van het huidige Veghel-Zuid, oostelijk van de
Aa droeg van oudsher deze
naam.
Het winkelcentrum ter plaatse is ernaar genoemd.
Plaats waar beuken groeien. Boek = beuk. De -t- duidt op
de kollektieve suffix (Hs-).
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
Varianten met een verzamelsuffix zijn o.a. Boekt en Bokt
en met een tot de lo-formatie behorende uitgang, nl. -el
in bv. Beukel.
Beuken groeien het beste op leemhoudende vochtige
gronden. Het element kan zijn afgeleid van het germ. *
boko mnl. boeke, boucke = beuk (Fagus silvatica). De
beuk komt zowel in het wild als aangeplant voor. De
vormen met een verzamelsuffix-t herinneren ons aan
middeleeuwse ontginningsactiviteiten, waarbij de
ontbossing van het gemengde eiken- en beukenbosarsenaal
ter hand werd genomen om meer cultuurgrond voor de
akkerbouw te creëren. Deze vorm van ontbossing is al in
de vroege middeleeuwen ingezet en naarmate de bevolking
toenam werd die intensiever [redactie]. (Buiks 1990:56;
Helsen 1978:126.)
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 10, 11, 13, 14, 15, 18 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
Diepenbroeck |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
In
loco dicto die diepenbroeck [Hs- (± 1390)]
peciam terre deam dat diepenbroeck [GVIE2 (1422)]
land
dat diepenbroeck int Davelaer [Hs- (1519-1538)]
zijn
diepenbroeck in den d'avelt [GVEI5-137 (1624)]
landt aent Beukelaer Diepenbroek [GVEI2-54 (1778)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Onbekende ligging ongeveer op de scheiding van de
gebieden Nederboekt, Beukelaar en
Stad.
Het woord "diep" kan in het Middelnederlands behalve de
diepte ook de samenstelling
van
de bodem aanduiden. Het bekende liedje: "dan zijn de
paadjes diep, ja diep", is
hier
een voorbeeld van. Hier betekent "diep" misschien "modderig,
moerassig".
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
Een diep kan een natuurlijk of gegraven water zijn, een
geul in een water, afgeleid van het germ. * diub = diepe
of moerassige plaats. Waar dit element voorkomt in
combinatie met ‘straat’ gaat het om wegen die lager
liggen dan de onmiddellijke omgeving. Een dergelijke
ligging kan ontstaan doordat de akkers langs de straat
bolvormig zijn en iets hoger liggen vanwege hun zware
esdek. Ook kan zo’n Diepstraat tussen twee wallen in
liggen waardoor de straat relatief laag kwam te liggen.
Diep duidt in het algemeen op laagte. In Diept is het
verzamelsuffix -t aanwezig, wat een complex laaggelegen
percelen aangeeft. In het Vlierdense voorbeeld is een
afleiding en verschrijving van ‘de eept’ in ‘d’eept’
niet uitgesloten [redactie]. Moerman 1956:50; Buiks
1984 dl.9:26.
Algemeen wordt aangenomen dat Broek een afleiding is van
het germ. * brôka, wat staat voor moerassig en
laaggelegen land. Het komt in de cijnskring frequent
voor zowel als element in diverse samenstellingen als in
de namen van enkele hoeven die ‘ten Broeke’ worden
genoemd. Door geschikte afwateringsmethoden zijn veel
broeken vanaf de middeleeuwen tot hooilanden omgevormd,
vandaar de secundaire betekenis van laaggelegen
hooilanden i.c. een ontwaterd moeras. De vroegere natte
veengronden waren geschikt voor de klot- of turfwinning.
Onder ‘broek’ verstaat men nu de moerassige oevers van
een riviertje met rijke onkruidvegetatie, vooral in het
najaar, maar ook gedurende de winter en het voorjaar
deels bedekt met water. Niet zelden groeiden er wilgen
waarvan de tenen voor het maken van allerlei vlechtwerk
werden gebruikt. De broekgronden hadden een economische
waarde. Gijsseling 1954; Molemans 1976:214; Buiks
1986 DL.19:14; Trommelen 1994:150.
|
|
Opmerkingen:
|
- |
|
Naam:
|
Geer |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Verspreide ligging. |
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Benoeming naar de vorm. De primaire betekenis van geer
is speer en overdrachtelijk een puntig toelopend stuk
(Verwijs
en Verdam II -1497; Schönfeld 1950-112; Bach 1953-263;
Dittmayer 1963-87; M. Top. Bach -169).
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
Geer behoort tot het levende taalbezit en is een
vormaanduiding. Het is een driehoekig stuk land of
althans een stuk land waarvan twee overstaande zijden
niet evenwijdig lopen. Als die zijden bovendien nog krom
waren werd later gesproken van een Amerikaanse of
Vlaamse geer. Een modern equivalent is ‘spie’ of ‘tip’,
een puntig toelopend stuk land. In de Baronie treft men
complexnamen aan met ‘geer’. De geer-namen voor
afzonderlijke percelen hebben nagenoeg allemaal
betrekking op akkers. Bij weilanden en beemden was
volgens Buiks de vorm immers van veel minder belang dan
bij de akkers.
Buiks 1990:93; Moerman 1956:70; de Vries 1962:62; v.Berkel
& Samplonius 1989:63
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 12 |
|
Opmerkingen:
|
- |
|
Naam:
|
Gijsenacker |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Landt aent havelt gijsenacker [GVEI2-123v (1778)]
eenen acker teulland, canten, houtwas, voorpoting en
geregtigheden aan de leest in de brugge, genaamt
Gijsenacker, groot ontrent 6 loop [RAV112-229 (1799)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Onbekende ligging op het Havelt aan de Leest. |
|
Ligging:
|
Perceel nr. 1 |
|
Opmerkingen:
|
Genoemd naar een eigenaar.
|
|
Naam:
|
aent Havelt |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Uuyt
erffenissen aen dat havelt gelegen [GVIE2 (1443)]
in
die nederboect aent havelt Hs- (1519-1538)]
zijnen hoff ende lant aen't havelt [GVE15-33 (1624)]
uytten aabempt aen't havent [HH163-2 (1714-1783)]
hertgang 't havelt [GVE12-107 (1778)]
het
haveld [kad. (1832)]; D 1131-1256
het
haveld [N. (1883)]; D 1231 (b: 45.10)
In
't goet te hanvelt [BP1184-182v (1405)]
die
hoeve te hanevelt en die hoeve te hanenvelt [BP1208-229v
(1439)]
huis
die hovel aent haenvelt [Hs- (± 1495)]
sitis in prochia de Vechel ad locum dictum aent haenvelt
[GVIDI-3 (1532)]
't
goed van Haneveldt [Mrv1325-4 (1633)]
't
goed van Hanevelt, Vechel, genaemt de Lankveltse hoeve
[Mr92-72 (1780)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Buurtschap en gebied aan de oostzijde van de dorpskom,
zuidelijk van de weg naar Erp. Misschien een nevenvorm
van of ontstaan uit het toponiem Davelaar (zie Davelaar).
Op grond van bovenstaande opgave zou men gelijkenis
verwachten met Hamveld. Maar 't Havelt en 't Ham zijn
twee onderscheiden stukken grond. De namen zijn nog
algemeen bekend. Misschien is een etymologie oorspr.
hovevelt aanvaardbaar. Bij contractie (korte -e- staat
tussen gelijke consonanten) ontstaat hovelt. In
dialectische uitspraak misschien vervormd tot Havelt.
Bij deze constructie zou eveneens een naam "Hoffelt" of
"haffelt" mogelijk zijn. Een tweede mogelijkheid is
wellicht een vorm: ho-veld, een hoog veld.
Haanveld is vermoedelijk
identiek met het Hamvelt. Het eerste lid kan ook een
persoonsnaam zijn vgl. Henrick Willem die Haan 1431 (Kl.V.P.
-103v).
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
Hanvelt (Leenboeken 1312)
Soms staan haantoponiemen in verband met de cijns die op
het betreffende perceel rustte, een haan. Meestal echter
moest de cijnsplichtige kapoenen, ganzen of hoenders
leveren aan de cijnsheffer.
Ook kan het afleiding van een familienaam zijn, nl. de
familie Hanen, die verspreid voorkwam in de cijnskring.
Haannamen kunnen ook refereren aan plaatsen waar
hanengevechten werden gehouden of aan plaatsen waar
korhanen of patrijshanen voor kwamen. Het baltsen van
korhanen in het voorjaar gebeurde op speciale plekken op
de heide. Dit spectaculaire gebeuren in de vroege
ochtend zal niet onopgemerkt zijn gebleven. Korhoenders
komen voor in de overgangsgebieden tussen open
heidevelden en bossen en op de randen van de akkers,
moerasgebieden en broekgronden. De aanwezigheid van
bomen, bij voorkeur in verspreide lage bosjes grenzend
aan open plekken, ontstaan door afbranding, was
essentieel voor hun biotoop. De vogels fourageerden
daarbij op de (kleinschalige) akkers en broedden op de
heide. Benamingen naar vogelnamen komen in de toponymie
frequent voor.
De Vlierdense Haanakker is waarschijnlijk een
verbasterde vorm van de Hagenakker. Zo kan Handelaar
onder Kalmthout gevormd zijn vanuit Haanlaar.
Knippenberg 1954:106; Buiks 1990:99; Trommelen 1994:236;
Buiks & Leenders 1993 dl.3:313; Beijers 1992:146.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 6, 16-19, 22, 23 |
|
Opmerkingen:
|
Een iets oudere vermelding dan die gesignaleerd door
Beijers en Van Bussel is de persoonsnaam Willem van
Hanevelt vermeld in de uitgiftebrief van Jekschot in
1311. Havelt is waarschijnlijk een evolutie uit Hanevelt.
De verklaringen gegeven door Cornelissen zijn niet
overtuigend. Beijers en Van Bussel wijzen op de
mogelijkheid van een “cijnshaan”. Daarvoor bestaan geen
aanwijzingen. Blijven over: verwijzing naar een vogel,
of een persoonsnaam (of een onbekende andere
verklaring). Vernoeming van een gebied of perceel naar
een vogel was zeldzaam en vernoeming naar een persoon
gebruikelijk, zodat de verklaring “vernoeming naar een
persoon” de voorkeur verdient.
|
|
Naam:
|
Heestervelt |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Corneliisen signaleert alleen een Heestervelt in Eerde
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Hees
is een frekwent voorkomende naam ter aanduiding van
kreupelbos en van (vaak uitgestrekte) kompleksen land (gerooid
bos of door hees kreupelbos omheind land) (M. Top. v.
Bochholt -44).
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
Hees’ is over het algemeen laagstammig hout, struikgewas
of jonge bomen, afgeleid van het germ. * haisi > hasi >
hesi > hees. Het komt frequent voor, zowel in plaats-,
gehucht- als veldnamen.
Veldnamen zijn deels afgeleid van de gehuchtnaam ‘Hees’
zodat niet altijd sprake is van verwijzing naar de
oorspronkelijke begroeiing. Hezemans meldt dat ‘hees’
aanvankelijk zowel in Nederland, België, Duitsland als
Engeland voorkomt als jong beukenbos en later
struikgewas van allerlei loofhout. Het kan ook de
benaming zijn voor een open plek in een bos waar de
Keltische god Hesus of Esus werd vereerd.
Op de Hees onder Erp stond een heilige eik. In 1761 werd
daar ter plaatse het ‘land aan de H.Eik op Heesch’
vermeld. Langs de oude handelsroute Aken-Gulik-Nijmegen
moet in de buurtschap Hees bij Weeze een heiligdom met
offeraltaar voor Hesus opgericht zijn geweest.
Afleidingen van ‘hees’ zijn heester en heister met als
oude betekenis jonge loofboom, speciaal jonge beuk, maar
ook jonge eik. Het element ‘hees’ komt in Brabant al
vroeg voor. Het oorkondenboek meldt o.a. Hezia (784),
een gehucht onder Eersel, Hese (1203), Hesebenne (1225),
Heseuuic (1233).
Moerman 1956; Molemans 1976:477; Helsen 1978:56;
Molemans 1975:44; Mennen 1992:46; Hezemans 1970:68;
Meuwese 1955:125; vd Schaar 1969:118; Gijsseling 1960;
Smulders 1962; Beijers & Koolen 1988; Beijers 1992:
148,149, 239.
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 11 |
|
Opmerkingen:
|
Veld begroeid met heesters. |
|
Naam:
|
Hontstart |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Cornelissen vond deze veldnaam op de Boekt en op het
Dorshout. Wat het Boekt betreft:
De
hontstae(r)t, nederboekt [Hs- (1532)]
hondstertje of hondstaet, leege boekt naast gijsenakker
bij hendriek geert roef [Hs- (1590)]
van
heilige geest lant den honstart int akert [GVE15-34
(1624)]
lant
den hontstaert op de boekt [GVE12-117 (1778)]
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Benoeming naar de vorm. |
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 13, 15 |
|
Opmerkingen:
|
Op de
kaart is
bij perceel nr. 15 de lange uitloper naar het zuiden te
zien, waaraan dit perceel zijn naam te danken heeft.
|
|
Naam:
|
Kesselacker |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Twee
stucxkens ende een hoecxken in de kesselecker [GVE15-36
(1624)]
landt den kesselacker [GVE12-81 (1778)]
kesselakker, havelt, leege boekt [GVIIE13 (1792)]
een
perceel bouwland genaamd de kesselakker in het Havelt,
kesselakker aan de Nederboekt [N (1842, 1847, 1888)]; D
177, 178 (b: 96.60), 179 (b: 46.80), 189 (b: 87.10).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Ligging op de Lage Boekt. Benoeming naar de
bodemgesteldheid, i. c. naar de hinderlijke aanwezigheid
van een grintsubstraat (p.D.K.: matig droge
zandleemgrond met grintsubstraat). Mnl. kesel, keisel,
kiezelsteen (Mnl.Wb.IIl). Cfr. ook: Kiliaan -290
kesel(steen), keselingh "silex"; W.N. T. VII 2734-35
kezel "keisteen".
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
Het kan een verwijzing zijn naar de bodemgesteldheid van
een bepaald perceel i.c. naar de hinderlijke
aanwezigheid van een grindsubstraat. Het mnl. ‘kesel’ of
‘keisel’ zou kiezelsteen betekenen. Ook elementen als
kiezel en kissel zouden hiermee in verband kunnen staan.
Verdam 1932:289; WNT dl.7:2734; Lindemans 1952.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 16-18, 20, 21. Perceel 10 lag naast de
Kesselacker |
|
Opmerkingen:
|
De vernoeming naar een eigenaar mag nog niet uitgesloten
worden.
|
|
Naam:
|
Crommen streep |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Cornelissen signaleert deze veldnaam op verschillende
plaatsen in Veghel
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Genoemd naar de vorm |
|
Ligging:
|
Perceel nr. 12 |
|
Opmerkingen:
|
- |
|
Naam:
|
aent Cruijs |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
't
cruys opte boct [GVEI5-69 (1624)]
landt aent cruys [GVEI2-145 (1778)]
het
kruis [N (1835, 1844)]; D 229, 232233 (b: 67.90).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Ligging op de Ronde Bult. Ter plaatse zal eens een kruis
gestaan hebben.
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
Kruis zal verwijzen naar weg-, hagel- en zoenkruisen.
Op grenzen werden soms grenskruisen geplaatst. Ook kan
een verband bestaan met een in de buurt liggende
kruiseik. De kruiseik vertegenwoordigt een relict uit
een ver verleden, toen de bomen nog vereerd werden.
Kruis kan ook betrekking hebben op een gewone kruising
van wegen.
Buiks 1990:112; Buiks 1990:131; Molemans 1976:904; Buiks
1988 dl.22:103
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 8. Oude Kerkhof, nrs, 6, 7 en 9 werden het
Kruijs genoemd en Oude Kerkhof nrs. 6, 9, 10 en 12 aent
Kruijs.
Het kruijs zal langs de weg gestaan hebben. De precieze
lokatie van dat Kruijs is onzeker.
|
|
Opmerkingen:
|
- |
|
Naam:
|
Leegboekt |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
De
geer - leege boekt in de bolck [Hs- (1531)]
een
parthije landt op de leeg boekt [GVEI2-40 (1778)]
lage
boekt of nederboekt [H.- (1956)].
Ad
locum dictum aen gheen hamvelt in der nederboect, ook
lage boekt [BP1249 (13501400)]
in
die nederboect aent havelt [Hs- (1519-1538)]
jan
tys jacob hof, nederboekt [Hs- (1615)]
de
nederboekt [kad, (1832)]; D 129-195.
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Dit
gebied ligt oostelijk van de Hoge Boekt, begrensd door
de Heuvel, de binnenweg naar
Erp
en de zijweg daarvan, uitkomend op de Scheijelaar. Het
gebied ligt niet duidelijk
lager dan de Hoge Boekt, maar kent niet zoals dit een
scherp hoogteverschil met enige
aangrenzende gebieden.
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 4. Perceel nrs. 2, 6, 7, 12, 15, 16 lagen in
de Leegboekse tiende, of de Nederboecsche tiende
|
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
Rijt |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Te weten dat derde deel van de rijt [GVIE2 (1422)]
hoyvelt die ryth in die nederbiest [Hs- (1519-1538)]
twee stucxkens neffen de rijt in den d'avel1 [GVEI5-83
(1624)]
int reijtie (den biesen) [GVE2-285 (1702)]; de reydt,
crekelhoff [RAVI59-157v (1752)]
de rijt [kad. (1832)]; C 461-472
de ryt [N (1876, 1882, 1883, 1884)]; C 471-472 (he:
7.09.50), D 108-109 (b en w: 74.10), 172 (b: 62.30), E
1049 (ho: 25.60) 790 en weg. (he: 5.83.10)
de rijdt [V.-]; B 404 (b: 56.80); de reytjes [V.-] B 1,
5, 6 (w: 95.50)
de rijt [V.-]; D 108 (b: 42.50); de rijtjes [V.-]; E
764-765 (b: 0.18.19; w: 0.20.50).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Gebied liggend tussen de Heuvel en Blankenburg, tevens
verspreid liggende percelen.
Wellicht benoeming naar de ligging aan een rijt
"waterloop" (M. Top. Valk.-219). |
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel: |
Er zijn bij rijt diverse oudere varianten denkbaar zoals
ret, retten, rit, ride en de diminutieven rijtke, reitke,
rie(t)ke en retke. Het is mogelijk de meest voorkomende
waternaam geweest afgeleid van het germ. * ridha = beek,
waterloop.
In veel gevallen komt ‘rijt’ voor als benaming van
landerijen; de naam van het water is overgedragen op
het aangrenzende land. Dit getuigt van de ouderdom van
de naam. De primaire betekenis is kleine waterloop.
Volgens Beex zou een rijt vooral het dalvormig begin
zijn van een beek, een soort komvormige laagte.
Onder Alphen is de naam Rijt al bekend in 1295. Rijten
waren al of niet gegraven waterlopen. Het is een
soortnaam zoals bv. ven, goor, meer, broek en weijer. De
rijten, goren en broeken hadden een regelende functie in
de waterstand der riviertjes. Bij veel regen hielden ze
veel water vast en bij droogte bleef het wegsijpelende
water van de reservevoorraad voldoende om de riviertjes
en beken stromend te houden.
Beex 1964:26; Buiks 1992:20; Molemans 1976:1334;
v.Berkel & Samplonius 1989:153; Buiks & Leenders 1993
dl.2: 97; Buiks & Leenders 1993 dl.3:230.
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 6. perceel nr. 2 en 7 lagen naast of aan de
Rijt |
|
Opmerkingen:
|
- |
|
Naam:
|
Reytstuck |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Reytstuk nederboekt [Hs- (1532)]
't
ryt stuck in den d'avell [GVE15-147 (1624)]
rijdt stuk in de stadt [GVE12-130 (1777)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Onbekende ligging in het gebied de Stad e.a. Benoeming
naar de ligging aan een rijt,
waterloop. Het eerste lid is mogelijk een persoonsnaam
vgl. Bartholomeus van de Rijt,
1851
(Kl.Bev. V.).
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 1 |
|
Opmerkingen:
|
Dit perceel is mijns inziens genoemd naar de
aangrenzende Rijt.
|
|
Naam:
|
Streepje |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Cornelissen signaleert dit toponiem op verschillende
plaatsen in Veghel.
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Benoeming naar de vorm. Langwerpige percelen.
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel: |
Een ‘streep’ is de gangbare benaming voor een
langgerekte smalle akker of strook land. Het betreft een
vormaanduiding. Meestal liggen percelen met deze naam in
de dorpsakkers. In het oosten van Brabant bestond een
deel van de oude dorpsakkers uit smalle percelen, door
Kakebeeke aangeduid als ‘langrepelakkers’. Het element
‘streep / strijp’ zou ook voorkomen in laat ontgonnen
beemden- en moerasgebieden. Turfvelden waren altijd in
kleinere stroken verdeeld. In beemdgebieden was een
groot aantal waterafvoerende sloten noodzakelijk,
vandaar dat daar vaak smalle percelen voorkomen.
(Buiks 1990:193; Molemans 1976:1518; Moerman
1956:223; Kakebeeke 1975:36; v.Berkel & Samplonius
1989:174.)
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 2, 3 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
Toorenstuck |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Het
toorenstuck (havelt) [GVE2-139 (1702)]
landt het toornstuk [GVEI2-113 (1778)]
een
perceel teulland groeskante, houtwasch en geregtigheden
gelegen op de boeckt
genaemt het torenstuk [N (1815)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Onbekende ligging in het gebied Boekt/Havelt. Benoeming
naar de ligging nabij een toren; gezien de ligging komt
misschien eerder de St. Antoniuskapel op het Havelt, die
wellicht een torentje gehad heeft, in aanmerking dan de
kerktoren van de (oude) Lambertuskerk. Het eerste lid
zou ook een persoonsnaam kunnen zijn vgl. Hendrik Torn,
1831 (Kl.Bev. V.).
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 8 |
|
Opmerkingen:
|
Het zou ook om de toren van een verdwenen kerk op het
Havelt kunnen gaan.
Zie het artikel over
de eerste
kerk.
|
|
Naam:
|
Voortacker, Vooracker, Veeracker |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
In
die voertacker, aldaar, aen daude brugge [BP1192-194v,
195 (1421)]
de
voirt(acker) nederboekt [Hs- (1533)]
't
voorteckerken in die neerboekt [GVE15-39 (1624)]
landt op de leeg boekt, de voortacker [GVE12-40 (1778)].
Een
parthye landt op de leeg boekt den vooracker [GVE12-40
(1778)]
de
voorakker [N (1835, 1874)]; D 169 (b: 25.00), 174 (b:
29.90).
De
veirecker oyck mede toecomende henrick zijnen broeder in
de neerboect [GVEI5-30
(1624)]
landt en dries den veeracker in leegboekse tiende
[GVEI2-155v (1778)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Benoeming naar een doorwaadbare plaats. Mnl. voort, vort,
voirt "ondiepe doorwaadbare plaats; plaats waar men door
een water kan gaan" (Top. v. Valk. -258).
"Veer" kan ook de betekenis hebben van "ver" (Verwijs en
Verdam -1346); een afgelegen akker. Of een persoonsnaam
vgl. Johanna de Veer, 1849 (Kl.Bev. V).
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 9, 10, 14, 15 |
|
Opmerkingen:
|
Voortacker lijkt de oudste vorm te zijn. De betreffende
voort zal dan wel op de plaats gelegen hebben waar de
Boektstraat de Rijtloop kruist.
|
|