|
|
Naam:
|
Dorshout |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Retro locum dictum Dorhout, campus hoge Dorhout
[BPl176-366v (1385)]
in
dat Dorhout aan die Aa [BP1197-86 (1426)]
scragenbeemt aen Dorhout [BP1268-37/37v (± 1500)]
int
dorhout [HH-147 (1621-1691)]
het
dornhout [Mrv91-12v (1719)]
hertgang Dorshout en Eerd [GVE12-185 (1778)]
het
Dorshout [kad. (1832)];A 1008-1140
Dorhout bouwmanswoning etc. en arbeiderswoning genaamd
Puttenburg, gelegen in de
Knokert, de Nieuwe Kopen, Amert, Dorshout de Putten [N
(1852)]; A 803, 826-829, 872, 909, 910, 915, 916, 936,
937, 1093, 1100-1104, 1137, 1371-1464 (hu: 08.20; tu:
01.92; ho: 2.15.50; hh: 04.60; og: 74.60; b: 5.20.90; w:
5.72.83).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Bekende buurtschap in Veghel, die zich vanaf de
Oranjewijk noordelijk langs de Aa
uitstrekt, tot aan de Amert en de Knokert. Ook benaming
voor een boerenwoning ter
plaatse (anno 1852). Anno 1927 was Dorshout bovendien de
naam voor de huidige
N.C.B. -laan. Dorshout is een nog bekende naam. Het
eerste element kan droog en dor
betekenen, maar ook dwars. Hout "bos" (M.Top. Valk.
-110).
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
Hout, en op andere plaatsen in ons land ‘holt’, komt
veel voor in toponiemen, zowel in nederzettings-,
gehucht- als veldnamen. Men kan dan denken aan rooiingen
van bossen van hoog opgaand hout. Vanaf de 13de
eeuw zouden de hout- en lo-namen verdrongen worden door
de bosnamen.
Buiks 1990: 86; Molemans 1976: 521; Buiks 1988 dl.24:
44; Buiks 1983 dl.4: 4; Verdam 1932: 260; v.Passen 1961;
Buiks & Leenders 1993 dl.3: 225, dl.4:422.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 9, 18-20, 22 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
Groenendael |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Huis
te gruenendale [Hs- ± 1385)]
huis
te gruenendael [Hs- (± 1390)]
hoeven ten gruenendale [GVIE2 (1430)]
hoeve ten gruenendael [GVE2-39 (± 1500)]
van
twee huyzen en hoven op groenendael bij St. Antonis
capelle [HHI63-51 (1714-1783)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Onbekende ligging bij de vroegere St. Antoniuskapel. Het
toponiem kan dan betrekking
hebben op zowel het Havelt, Eerde als het Dorshout,
omdat zich op alle drie deze
plaatsen een Sint Antoniuskapel bevond. Het zal een
vruchtbaar gebied betroffen hebben,
mogelijk met veel geboomte.
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel: |
ex domo et orto te gruenendale (1377) (schriften
Smulders betreffende Veghel)
Groen- verwijst naar het groene gewas, de groene
planten in het algemeen. In Lommel heeft het de
specifieke betekenis van (knol)rapen. Men spreekt ter
plaatse van ‘groen zaaien’ en ‘groen plukken’. Rapen
speelden een belangrijke rol bij de stalvoeding. In de
Belgische Kempen werden de rapen geteeld als
stoppelvrucht en gezaaid na het binnenhalen van de
roggeoogst. In tegenstelling tot spurrie waren de
knolrapen bestand tegen vorst.
De bekende Groenstraten of Groendijken waren wegen die
naar de weidegronden leidden. Helsen geeft drie
betekenissen aan, nl.: (1) onverharde weg die ten
gevolge van gering of verminderd gebruik buiten het
wagenspoor met gras was begroeid en daardoor een groene
indruk maakte; (2) een straat die over braakligend
(groen) land liep en jaarlijks verlegd werd over het
gedeelte van de driedelige akker; (3) lijkweg. Volgens
Bach zijn deze wegen ‘vorgeschichtliche und
mittelalterliche Fernwege’. Ze liepen vanuit het
centrale gedeelte van de nederzetting, waar men meestal
eerst een drenkplaats passeerde voor het vee, door naar
de buitengebieden, de weidegronden.
Buiks 1990:97; Helsen 1978:142; Bach 1953 dl.1:419.
Dal- en daal-namen zijn reliëfnamen die wijzen op een
depressie in het landschap. Meestal zijn het
laaggelegen hooilanden die vanwege hun bodemstructuur
bij regen makkelijk onder water lopen. Ze werden ‘dal’
genoemd omdat ze lager lagen dan de aangrenzende
percelen. Overigens zijn er daalnamen die geen
verwijzingsfunctie hebben naar depressies of
bodeminzinkingen, maar verband houden met kloosternamen
zoals bv. Catharinadal en Hertoginnedaal e.d.
[redactie]. Later verschijnt het identieke begrip ‘del’
of ‘dellen’. Delberg, samengesteld uit dal + berg, is
een stuifzandgebied met hier en daar een diep dal.
Moerman 1956: 56; Molemans 1976: 239; Buiks en Leenders
1993 dl.3: 234; Buiks 1988 dl.24: 23; Buiks 1990: 77.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 10 en 12
|
|
Opmerkingen:
|
‘Groen’ was behalve in Lommel ook in Veghel in gebruik
als aanduiding voor knolrapen. Het lijkt me overigens
onzeker of dat gewas in de veertiende eeuw al geteeld
werd en onder die naam bekend stond. “Groen-“ lijkt me
meer waarschijnlijk verband te houden met de kleur groen
van planten.
|
|
Naam:
|
Hercules acker |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Van de hellicht van de herculesecker int dorhout voor
zijn hellicht [GVE15-117 (1624)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Onbekende ligging in het Dorshout. Het eerste lid is de
naam Hercules
1) persoon uit de
klassieke mythologie, bekend door zijn buitengewone
kracht en naar wie ook een sterrebeeld heet,
2) bij vergelijking: een Hercules, iemand van zeer grote lichaamskracht
(W.N.T.
-595). Mogelijk was Hercules een mansnaam of
persoonsnaam of duidde op de
lichaamskracht van de eigenaar/bewerker. Misschien was
er sprake van een trekpaard/os van die naam.
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 20 en 22a |
|
Opmerkingen:
|
Genoemd naar een Hercules, zoon van Godefridus van Erp,
die deze akker rond 1560 in bezit had.
|
|
Naam:
|
Die Hoeve |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Cornelissen
signaleert deze naam op verschillende plaatsen in
Veghel. |
|
Verklaring door Cornelissen:
|
- |
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel: |
Een hoeve vormde oorspronkelijk een hoeveelheid grond
ter grootte van 1 hova = ca. 12 bunder, maar dit kon van
streek tot streek verschillen. Volgens Trommelen is de
verdeling in hova’s algemeen geweest. Op deze hova’s
werden voor de pachters de ‘casatae’ gezet. In de vroege
middeleeuwen kende men de vroonhoeven die enerzijds
bestonden uit de terra indominicata of saalland,
wat door de heer zelf in exploitatie werd gehouden, en
de terra mansionaria of hoevenland, een deel dat
aan horige boeren werd uitgegeven en waarbij ieder in
principe 1 mansus of hoeve van ca. 12-16 ha kreeg
toegewezen.
Later is de aanduiding voor de hoeve als hofstede of als
wooneenheid samen met het omliggende land in zwang
gekomen, vandaar de vele hofstadnamen. In de
middeleeuwse documenten treft men termen aan als ‘ex
manso dicto’ = uit een hoeve genaamd...., ‘ex
domistadio dicto’ = uit een hofstad genaamd.....,
of ‘ex domo orto horreo et area’ = uit huis,
tuin, schuur en erf. Volgens Buiks staat ‘hofstad’ voor
de plaats waar een boerderij staat of heeft gestaan; als
het wordt voorafgegaan door het adjectief ‘oude’ kan het
archeologisch interessant zijn. Mogelijk staat ‘oude
hofstad’ voor een grote verdwenen boerderij, in veel
gevallen de hoofdhoeve van een nederzetting. In dit
verband verdienen ook vermelding toponiemen als ‘‘t hof’
en ‘‘t hofgoed’, die in sommige gevallen verwijzen naar
een oude ‘curtis’, zoals bv. in Lieshout.
De bij de hoeve gelegen ‘hof’ is meestal een omsloten
stuk grond, veelal in de vorm van een moestuin, maar ook
de betekenis van boerderij is gebruikelijk. Bijzondere
aandacht vragen hovennamen. Theuws zegt hiervan dat dit
naamtype voorkomt in een groot deel van het
Maas-Demer-Scheldegebied, zowel in de
bevolkingsconcentraties als daarbuiten. Opvallend zijn
de groep hovennamen in het noordelijke deel van de
provincie Antwerpen, alsmede het vrijwel ontbreken ervan
in het dal van de Aa in oostelijk Noord Brabant.
Wellicht, zo meent hij, zijn de hovennamen voor een deel
toe te schrijven aan een uitbreiding van de bewoning in
de laat-Merovingische en Karolingische tijd. Veel
hovennamen dateren echter uit de volle middeleeuwen. Een
geheel andere betekenis van ‘hoeve’ is ontstaan toen aan
het eind van de middeleeuwen op grote schaal begonnen
werd met de ontginning van de beekdalen. In veel
gevallen treft men complexen hooilanden aan die
loodrecht op de rivier zijn aangelegd en die vaak
‘hoeven’ worden genoemd. Het zijn veelal regelmatige
strokenverkavelingen.
Buiks 1990:48,91,109,110; Trommelen 1994:276; Jansen
1978:114; Prims 1977 dl.1:254; Molemans 1976:564; Buiks
1983 dl.4:56; Spierings 1983:225; Theuws 1988:179.
|
|
Ligging:
|
Perceel nr.
5c |
|
Opmerkingen:
|
Een
herinnering aan de oudere naam Overaase Hoeve
|
|
Naam:
|
De Hoogeinde |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Dictis die hoghe ynden ad putte [HH133-8 (1507)]
den
gentenbrick Veghel aen de hoocheynden [BP1413-401
(1581)]
de
hooch eijnden in den brugge [GVE15-159 (1624)]
van
eenen 't rot de hoge eynde [GVIIB26 (1787)]
de
hoogeinde [kado (1832)]; A 1141-1273.
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Als
meervoud benaming voor gebied rond de tegenwoordige
Hoofdstraat en H. Hartplein,
als
enkelvoud voor een perceel op de Leinsekampen. Benoeming
naar de hoge ligging "aan de uiteinden" van een bepaald
gebied.
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel: |
ex petia terre dicta die hogheeynde (Cijnsregisters
Helmond, 1447)
De eind-namen zijn sterk verspreid in deze regio. Het
mnl. ‘ende’ verwijst naar een grens, einde, uiteinde,
rand, zoom of boord. Vele namen met -einde vindt men of
aan het einde of als grens van een bepaald gebied. Op
deze plaatsen werden slagbomen, draaibomen of hekken
geplaatst.
In de Brabantse ZW-hoek komen in de nederzettingsnamen
ook relatief veel einde-namen voor, nl. de grootste
categorie na de berg- en straatnamen in dat gebied. In
een later stadium wordt ‘eind’ veelal vervangen door
hoek, kant en zijde. Er zijn diverse samenstellingen
mogelijk bij de einde-namen.
Buiks & Leenders 1993 dl.1:35; Cornelissen e.a.
1987:103; Frenken 1948:103; Kakebeeke 1973:361; Verdam
1932:542.
|
|
Opmerkingen:
|
Het artikel van J. Timmers, “Over de Ynde” in
Brabants heem (1985) 80-86, bespreekt dit toponiem.
Een “Ynde” was een synoniem voor een “hecken”, een
draaiboom of andersoortige hekconstructie bij
invalswegen van de dorpen of gehuchten. De “inde” is de
plaats waar men het dorp inkwam. Het kan ook een bijvorm
zijn van “ende” of “einde”. Timmers: “In Veghel komt het
toponym “De Hoog Eind” voor, aldus een artikel in het
tijdschrift van de heemkundekring. De auteur ervan zet
een vraagteken bij het lidwoord “de” en vraagt zich of
of het eigenlijk niet “het” moet zijn. In de citaten
komt echter consequent “de” voor. (Verwijzend naar: G.W.
Wonders, “Molens in Veghel” in: Van Vehchele tot
Veghel 4 (1984 1.)
|
|
Naam:
|
Bij de Capel, bij de Oude Capel |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Kapel St. Antonius en St. Sebastiaan |
|
Verklaring door Cornelissen:
|
liggend in het dorshout van 1618-1648 en mogelijk langer.
benoeming naar de beide heiligen. |
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 24-26 |
|
Opmerkingen:
|
- |
|
Naam:
|
Aen de (gemeenen) Kapelkuyl |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Verdrinking van Ludovicus Jan Denissen, out ontrent 5
jaar, in den cappelcuijl alhier
over
de brugge [RAV99-178v (1731)]
huis
over de brugge genaamd aan de capelcuijl [RAV106-109v
(1769)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
-
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 21-22, 24-26 |
|
Opmerkingen:
|
Rolf Verdonk: Het lijkt er op, dat dit –gezien het
woordje ‘gemeenen’- een gemeenschappelijke brandkuil is
geweest. Brandkuilen zijn watervoerende kuilen in de
directe nabijheid van bewoningsclusters, voornamelijk
aangelegd om in geval van brandgevaar te beschikken over
voldoende bluswater. Afhankelijk van de structuur van de
omgevende bebouwing en de exacte locatie werden
brandkuilen daarnaast ook gebruikt als drenkplaats voor
het vee. De brandkuilen lagen daarom vaak op een
gemeenschappelijk perceel. Hier werd het vee verzameld
voor de ‘heertgang’ naar de weide. Daartoe kon de
verzamelplaats worden afgesloten met hekken of ‘ynden’,
waaraan de plaatselijke benaming Hoogeinde mogelijk
herinnert.
Een brandkuil heeft binnen de landschappelijke en
stedenbouwkundige structuur een sterke
cultuurhistorische functie. De kuil markeert feitelijk
de meest centrale plaats van het gehucht. In de
ontwikkeling van gehuchten naar dorpen zijn dit juist
ook de plaatsen waar een kapel –zoals de Dorhoutse
Kapel- werd gebouwd.
De in de Dorhoutse kapel vereerde Antonius Abt was
beschermer tegen (vee)ziekten, de pest en vuur, welk
laatste op een band tussen kapel en kapelkuil kan
wijzen. De huizen aan de Kapelkuil hadden het recht op
gebruik van de waterplas.
In 1804 wordt de Kapelkuil nog genoemd, maar op de kaart
van de Boxtelse landmeter Verhees uit 1806 staat ze niet
meer aangegeven. Het lijkt er op, dat de kuil –evenals
de kapel- toen niet meer bestond. Mogelijk is ze
gedempt, want in 1807 is er sprake van een brandhuisje
naast de woning van Gerrit van den Biggelaar [ter
plaatse huidige kruising Asterstraat-Sluisstraat] dat
misschien de functie van de brandkuil overnam. Dat
huisje verdween later weer en werd opgevolgd door het
huidige brandspuithuisje aan de Sluisstraat.
|
|
Naam:
|
Langacker |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
- |
|
Verklaring door Cornelissen:
|
- |
|
Ligging:
|
Perceel nr. 13 en deel van perceel nr. 5 |
|
Opmerkingen:
|
Genoemd naar de vorm.
|
|
Naam:
|
Oliemolen |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
De
oliemolen in de putten [N (1885, 1888)]; A 1537, 1538
(w: 37.60), 1539, 1540 (b en
w:
1.05.60).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Benoeming naar een oliemolen die ter plaatse gestaan zal
hebben. |
|
Ligging:
|
Perceel nr. 5 |
|
Opmerkingen:
|
Rolf Verdonk: deze molen was een rosoliemolen.
|
|
Naam:
|
Overaase Hoeve |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Cornelissen signaleert alleen het leengoed Overaa. |
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Wellicht naar een ligging ‘over’ de Aa |
|
Ligging:
|
Het grootste deel van perceel nrs. 5-17.
|
|
Opmerkingen:
|
Deze hoeve heeft niets te maken met het leengoed Overaa
(Bruggen, perceel nr. 5), want het heeft andere
eigenaars. Het toponiem Overaa komt in Veghel op
meerdere plaatsen voor, zowel bij de brug over de Aa bij
het centrum als bij de brug over de Aa bij het Rutsel en
Scheifelaar.
|
|
Naam:
|
Over de Bruggen |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
-
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
-
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 12, 17, 25, 27, 28 |
|
Opmerkingen:
|
Deze percelen lagen vanuit het centrum bij de kerk
gezien aan de overkant van de brug over de Aa. Opvallend
is de meervoudsvorm Bruggen. Een wat zuidelijker gelegen
gebied op het Hoogeinde en leest lag “Tussen de
Bruggen”. De tweede brug was daar de Vonder over de Aa,
opgevolgd door de latere mestbrug.
|
|
Naam:
|
in de Putten |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Eenen acker bouwland genaemd de putten te veghel aen het
broek [N (1660)]
landt ‘t heufke en ½ van 2 heyvelde in de putten
[GVE12-290 (1778)
de
putten [kad. (1832)]; A 1331-1370, 1372-1484, 1486-1552,
F 472-516
de
putten [N (1835, 1836, 1871) V.-]; A 1355 (tu: 02.72)
1534 (w: 37.90), 1539-1540 (b en w: 1,05.60), E
1296-1297 (w: 68.30); b: 25.80); de putte [V.-}; E
1288-1290 (mo: 33.40)
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Gebied oostelijk van de Hoogeinden, aan weerszijden van
de Schijndelsedijk, nu N.C.B. laan. Het is niet
duidelijk om welk soort “putten” hier sprake kan zijn
geweest; het gebied is tegenwoordig vrijwel geheel
bebouwd; misschien ging het om “leemputten”, leem wordt
in de Veghelse bodem wel aangetroffen. Of bestond het
hele gebied uit weinig bruikbare grond?
|
|
Verklaring door Beijers en Van Bussel:
|
Putten zijn over het algemeen door moerafgravingen
ontstaan. Molemans verklaart Bonenput als een
pejoratief voor een [niet noodzakelijk laag gelegen]
perceel slecht bouwland. Volgens Buiks kan men bij ‘put’
in principe aan drie betekenissen denken, nl. (1)
waterput op het erf; (2) grensteken in de vorm van een
kuil, soms in de vorm van twee elkaar kruisende
greppels; (3) een kuil ontstaan door delfstofwinning in
de zin van turfgraverij, zand-, leem- en kleiwinning. (Buiks
1990:169; Molemans 1976:181; Buiks & Leenders 1993
dl.2:141; Buiks 1986 dl.2:118; v.Berkel & Samplonius
1989:149.)
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 4-5, 13-16 |
|
Opmerkingen:
|
Putten is een ander woord voor vennen. |
|
Naam:
|
Raapkoeck |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Huis
over de brugge, genaamt den Raapkoeck [RAV105-69v
(1764)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Koolzaadkoek, als veevoeder gebruikt.
|
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 27 |
|
Opmerkingen:
|
-
|
|
Naam:
|
Scuppenstreep |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
uyten langenacker of scuppenstreep bij oliemolen
[HHI63-53 (1714-1783)] |
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Onbekende ligging over de Bruggen aan het Hoogeind. |
|
Ligging:
|
Deel van perceel nr. 5 |
|
Opmerkingen:
|
Genoemd naar een eigenaar (Scuppen) en de vorm (streep).
Het toponiem kwam ook voor in deel Bruggen, perceel nr.
4.
|
|
Naam:
|
op Schutsbooms Broekje |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Schutsboombroekske over de brugge op de leest
[RAV159-22v (1759)]
het
schutsboomsbroekje [N (1838)]; D 586-588 (w: 47.50)
gelegen aan het schutboomsbroekje [N (1845)]; D 581 (b
en w: 69.00)
plaats waar steenen-wind-koren-boekweit- en pelmolen
stond ter plaatse genaemt schutsboomsbroekje aan de
hoogeinde [N (1853)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Ligging op de Leest. Benoeming naar de ligging nabij de
schutsboom. |
|
Ligging:
|
Perceel nrs. 1 |
|
Opmerkingen:
|
Zie de
kaart 1825 voor de locatie van de schutsboom.
|
|
Naam:
|
De Swaen |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Huis
de swaen in de straadt [Mrv91-2v (1678)]
huis
(brouwerij omtr. de agterdijk) in de straet gen't de
swaan [RAV98-96v (1725)]
huis
in de straet genaamt de swaan, en brouwhuis [RAV99-19v
(1728)]
erf
de swaen en hofke [GVEI2-78 (1778)]
eene
huizing, stalling etc. de zwaan [N (1848)]; A 1231-1235
(b: 65.50; tu: 07.80; hu: 08.57).
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Dit
was de benaming voor een oude herberg aan de Sluisstraat
anno 1900, café de
Zwaan, later werd op ongeveer dezelfde plaats café
Tramstation (zie tramstation)
gebouwd; vrij dichtbij deze herberg stond een molen die
ook deze naam droeg.
|
|
Ligging:
|
Perceel nr. 6, 7 |
|
Opmerkingen:
|
In Veghel hadden meerdere huizen de naam “De Swaen” |
|
Naam:
|
Uitkampen |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
utcampen, dorhout [Hs- (1532)]
de
boschkamp in ruybroek in uuytcampen [Hs(1539)];
zijn
moeders hoff ende lant bij thuys in de uuytcampen
[GVE15-132 (1624)];
vossenhooI in uuytcampen dorshout by gelijke beemden
[GVIIE13 (1792)].
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
Verspreide ligging. Benoeming naar de afgelegen ligging |
|
Ligging:
|
Perceel 10 en 22 |
|
Opmerkingen:
|
In Veghel kwamen op meerdere plaatsen zogenoemde
Uitkampen voor. Deze waren niet zozeer afgelegen,
sommige lagen nabij gehuchten en huizen, en op sommige
Uitkampen woonden mensen. Wat al deze Uitkampen gemeen
hebben is dat het bijeengelegen klampen of percelen zijn
die aan alle kanten door de gemene gronden omgeven
waren. Ze zijn ontstaan in de Middeleeuwen.
|
|
Naam:
|
Weijkens |
|
Vermeldingen door Cornelissen:
|
Cornelissen signaleert deze naam op meerdere plaatsen in
Veghel
|
|
Verklaring door Cornelissen:
|
- |
|
Ligging:
|
Perceel nr. 1 |
|
Opmerkingen:
|
- |
|