Zorg voor geestelijk gehandicapten

Martien van Asseldonk, 19 augustus 2014

(Onder embargo)

 

 

De zorg

 

Eertijds zorgde de Veghelse Tafel van de Heilige Geest, ofwel armentafel voor de hulpbehoefenden, zoals langdurig zieken, blinden en ouden van dagen. Als voorbeeld een verklaring van 19 juni 1697.

 

Schepenen en armmeesters van Veghel verklaren 'dat Jan Teunis van den Oever, getrouwt met Peerken, dogter Jan Jan Teunis en inwoonder deser plaetsen, thoonder deser, sijnde eerlijcke ende vrome luijden in handel, wandel ende omganck, onbesprooken van leven, hebbende vier onnosele kinderen, de welcke geraeckt is tot groote armoede, overmits dat sijne voornoemde vrouw bedde vast leijt ende seer miserabel haer aengesigt van de kancker, ofte andere zeere, wort ingegeten, en door quaet vlees verteert wordt, waerdoor sij haer eene oogh al heeft verlooren en al meerder ende meerder het aangesigt wort afgegeten, den welcke door sijne groote armoede mede van deser armme taeffel, alhoewel die slegt van incomste is, en voor soo veel als die toereijcken kan, onderhouden wort.'

 

Ook zorgde de armentafel voor geestelijk gehandicapten. In de bronnen worden ze aangeduid als 'dwaes', 'simpel', 'innocent', 'sinneloos', of  'onnosel'. 'Onnossel', werd ook gebruikt in de betekenis van onwetend of onschuldig. De hiervoor genoemde 'onnossele kinderen' van Jan Teunis van den Oever waren misschien wel heel pienter. Soms is onduidelijk of iemand geestelijk dan wel lichamelijk gehandicapt was, of allebei. Een lichamelijk gehandicapt kind dat lange tijd geïsoleerd leeft, lijdt daar ook geestelijk onder. Enkele voorbeelden van uitgaven voor zorg uit de armenrekeningen:

 

-        1515-1517: voer dwaes Henneken te cleder ende die cledere te maken, 27 ½ stuvers

-        1650-1652: Geryt den Schutter miserabel kynt connende gaen noch staen, bestelt by de weduwe Jacop Wouters, twee jaren, elck jaer 40 gulden. 'Bestelt' betekent dat de zorg voor dit kind door de armentafel uitbesteed werd.

-        1652-1653: aen meester Handrick Cuijck tot onderhout van sijn onnosel kijnt, 11-0-0. Hier was de zorg niet uitbesteed, maar kregen de ouders een bijdrage voor het onderhoud.

-        1652-1653: Aen heer Handrick opte begraeffenisse van sijn onnosel kijnt, byer voor 0-14-0

-        1652-1653: Voor Gerijt Roeffs simpel kynt gecocht een paer gebreijde hoesen, 0-9-0

-        1653-1655: Betaelt aen Gerijt den Schutter voor een jaer bestelling van syn onnosel kijnt, 36-0-0

-        1667-1668: Aen dat arm innocent kindt dat by den president gewoont heeft voor lacken, 2-0-0

-        1671-1673: Voor Anneken ’t simpel kynt, 0-10-8

-        1727-1729: Gegeven op speciale ordre aen Aert Jan Aerts tot onderhout van zijne simpelen soone, 16-15-0

-        1727-1729: Aen Lijsbeth Antonij van Eek tot onderhout van haar onnoosele dogter den tijt van twee jaren, 40-14-8

-        1754-1757: Aan Jan Dirx voor een jaar montcost van Jan innocenten soone Tys Jan Tyssen, 40-0-0 en 14 vaten rogge

-        1757-1760: Voor Lambert Hendrik Smits, sinneloos , om een kar torff, 1-8-0

-        1760-1763: De weduwe Jan Dircx voor een jaar montcost van Jan innocenten zoone Tys Jan Tyssen, 40 gulden en 14 vaten rogge per jaar, dog inmiddels overleden en nu betaald 14-0-0 en 5 vaten

 

 

Ondanks alle goede zorgen van het armenbestuur bleef de familie in de eerste plaats verantwoordelijk voor de zorg. Soms beloonde een familie de armentafel voor de zorgen. Zo erfde de Tafel van de Heilige Geest op 15 juni 1600 van Peter Tielens, ‘sinneloos’, zijn erfdeel uit de verdeling van de goederen van Hendrick Tielens.

 

Het kwam ook voor dat de familie de zorg zelf uitbesteedde. Zo schonk Jan Hanrick Jorissoen, mede namens zijn zoon Wouter, op 20 juli 1535 grond aan vrouwe Johanna van Erp de weduwe van heer Walraven van Erp, die op kasteel Frisselstein woonde. De weduwe beloofde dat zij in ruil voor deze schenking Jorissen soene wylen Jan Hanricx Joriss ‘syns verstants nyet wel mechtich, syn leven lanck sal onderhouwen off doen onderhouwen, in cost, in clederen, in siecten, in crencten ende in reyninge syns lichaems ende anderssins, soe sy dat voer God ende der werelt eere verantworden wil.' Als Johanna eerder zal overlijden dan Joris, dan zal haar zoon Walraven van Erp de zorg overnemen. Als die dat niet goed doet, dan zullen de twee oudste schepenen met de kerk- en heiligegeestmeesters de zorg aan anderen, die geen familie van Joris zijn, uitbesteden, waarvoor jaarlijks 16 carolus gulden beschikbaar gesteld zal worden.

 

In 1442 werd in 's-Hertogenbosch het krankzinnigengesticht Reinier van Arkel gesticht. Het was een particulier gasthuis, hoewel de schout en schepenen van de stad toezicht uitoefenden op het functioneren van het gasthuis. De patiënten werden er opgesloten in kleine cellen, volgens een verslag uit 1632 ‘geheel naeckt, die cleederen van haeren lyve versceurt ende verpluckt’. Dit klinkt een beetje als een sensatie-verhaal. Het waren waarschijnlijk de ergste gevallen, de uitzonderingen. In de achttiende eeuw ontstonden particuliere verpleegtehuizen voor geesteszieken waar gegoede patiënten konden worden ondergebracht, die uit eigen vermogen de daaraan verbonden kosten konden betalen.

 

 

Bescherming van geestelijk gehandicapten tegen misbruik

 

Er waren mensen met beperkte geestelijke vermogens die beschermd diende te worden tegen misbruik door anderen. Deze werden onder curatele gesteld.

 

Zo verklaarden enkele inwoners van Veghel op 11 februari 1737 op verzoek van Hendrick Rutten van Hintelt (de requirant)

-        'dat sekere Aalbert Aarts Verhaagen, oom van den requirants huijsvrouwe, nu den tyd van ontrent agt jaaren gewoont hebbende ten huyse van voorscreven requirant, dat sy daar dagelykx als nabuuren hebben verkeert en by die occasie gesien en in alles ondervonden dat den voornoemde Aalbert Aarts Verhaigen syne sinne gans onmagtig, en niet anders als een kind, soo in praaten als in ommegang kan worden aangemerkt, ende diens volgens, soo als een yder bekent is, niet in staat is syne goederen te regeeren off administreeren, ja, sodanig dat wanneer sy comparanten soude willen bedrieglyk handelen, alle zyne goederen, boomen of andersints bijna om niet soude connen afkoopen.

-        Gevende hij eerste deponent voor redenen van welwetentheyt, dat hy gesien heeft dat den voornoemde Aalbert nemende een hant vol stroy, stokende dat aant vuur aan en gaande brandende naar ’t bet. Vragende hij deponent wat hij daar meede wilde doen. Antwoorde: “Aansteken.” Ook nog dat hy agter de koije was in den stal, plukkende en raekende het mest daer agter met syn handen om sonder riek te gebruijcken, en meer andere kinderlyke historie.

-        Den tweede deponent verclaart gesient te hebben dat voornoemden Aalbert in de kerk onder ’t midden van de godsdienst syn selfven wilde ontkleeden en syn kousen woude uyttrecken, ’t geene belet wiert.

-        Den derden deponent betuijgt ook gesien te hebben dat hy een pijp toeback in de kerk woude aansteeken, en nu onlangs nog gesprooken, waar of schoon dagelyks met hem verkeerde, den selven Aalbert hem deponent vraagde: “Wie bent gij,” en meer onmoemelyke voorvallen en onnoselheyt die de deponenten niet alle connen noemen en genoegsaam bij alde waarelt bekent dat sinneloos is, alsoo nootsakelyk onder curateel dient gestelt.”

 

Op 2 januari 1790 werd er een verklaring afgelegd over het krankzinnige gedrag van Johannis van Itero. De verklaring werd afgelegd op verzoek van Jennemie Janse van Lieshout, vrouw van Johannis van Itero, wonende in Veghel, die wilde dat haar man onder curatele gesteld zou worden.

-        Gerrit Vervoort, kleermaker, verklaarde dat Johannis van Itero zich in zijn huis 'op de hooybalke had neergelegt, en op instantie van den verklaarder niet heeft willen blijve leggen, maar als kranksinnig van de hooybalken gesprongen is op den dorsvloer wel wetende tien voeten hoog, niet minder maar eer meeder en door gemelde Geert Vervoort gesogt werdende en niet gevonden, maar weg, synde bevonden een gat in de schuurdeur en te sijn waer door hij waarschynlijk is gekropen, alsoo er geen opening door deuren off vensters te vinden was.'

-        Op een andere keer hat Gerrit Vervoort  'een stroijwis om syn been' en J. van Itero zei: “Ik sie nu wel wat er te doen is, gij zult mij kapot maken,” waarna hij vertrok.

-        Op een dag was Gerrit Vervoort  als kleermaker aan het werk, 'met syn mes een afteekening van een broekspijp op het wasbord makende, waer op hij J. van Itero syde: “Ik sie wel wat sal te doen syn, ik moet nu gaan, want gij sult mij nu kapot maken,” en verklaren dus hem als een kranksinnig persoon en onvernogend tot de administratie zyne goederen te administreeren.

-        Willem Jan Tillaerd, buurman van Johannis van Itero, zag Itero op de dijk van Veghel naar Sint-Oedenrode lopen, en ' heeft sien wandelen en den dijk kruijsweegs als een kranksinnig man sien passeeren en dat voornoemde W. J. Tillard aan gemelde J. van Itero gevraegt waarom hij den dyk soo gek overtrad en van de eene syde van den dijk na de andere ging, waer op J. van Itero syde: “Ik doe dat voor penetentie,” sonder dat gemelde J. van Itero dronken was.

-        En ten tweeden J. van Itero aan E. J. Tillard heeft verweten dat hij W. J. Tillard met voornoemde J. van Itero syne huijsvrouw twee dagen was weg geweest en dus in elk opsigte hem als een kranksinnige en onnosele mensch bevonden heb en hem als onvermogend aanschouw om syne goederen te administreeren.'

 

 

 

Bescherming van de gemeenschap tegen 'gevaarlijke gekken'

 

Het kwam ook voor dat mensen met beperkte verstandelijke vermogens een gevaar voor anderen konden zijn. Zo vermeldt de dorpsrekening van 1729-1730:

 

-        De specificatie van Jacobus van Orten, ondervorster, bestaat dat vier nagten op ordren heeft gewaakt aent huys van Francis Smits, alsdoen innocent, uyt vreese voor groote ongelucken: 1-0-0

-        Antonij Vermeule voort waaken bij Francis Smits innocenten: 1-4-0

 

Een ander voorbeeld is Mie van Rijsingen, die was wel niet gevaarlijk, maar was wel overgegaan tot diefstal. Op 1 november 1789 werd er door het dorpsbestuur van Veghel over haar vergaderd. Ze werd beschuldigd van diefstal te Nistelrode en zat nu op de gevangenpoort in Den Bosch. Haar vader, Dirk Thomas van Rijsingen, was naar de Bossche schepenen gegaan en gezegd dat zijn dochter niet goed bij haar evrstand was. De Veghelse schepenen kregen vanuit Den Bosch het verzoek om het geval te onderzoeken. Schepenen Johannis W. van den Heuvel, Hendrik J. van Eert en Peter J. Verhoeven kenden haar, 'en daar van te hebben gehoord als van iemand die niet bij haer verstand was, bijsonder op sommige tijden en bij vlagen en dat dit genoegsaam eene algemeene bekende saak is binnen dit dorp.'

 

Dirk Thomas van Rijsingen, oud 76 jaren, verklaarde dat zijn dochter Jennemie  'van jongs af zeer onnosel is geweest, ’t geen van tijd tot tijd erger is geworden en sij bij vlagen int geheel niet bij haer sinnen was, vooral op sommige tijden zoo dat sij telkens weg liep en sig verborg wanneer hij haer dan gedurig moest lopen soeken. Dat hy als seer armoedig versogt heeft nu eenige tyd geleden dat syn familie voor haer een eyser wilde laten maken waer aen sy kenbaar  soude weesen wanneer sy nogt wegracken, welk eyser hij aan haer been heeft gedaen en waer op het woord Veghel stond, dat des niet tegenstaande sijne dogter enige weken geleden is weggeraakt sonder dat hij wist waar zij sig bevond tot dat hij gehoord heeft dat zij in ’s Bosch gevangen zat.'

 

Anderen bevestigden dit verhaal. 'Dat de voorschreeve Jennemie van Rijsingen in haare verstands vermogens niet is als andere menschen, maer bij hun comparanten altoos is bekend geweest voor een onnosel mensch, welke bij vlage somtyd niet wel bij haare sinnen was, sonder dat zij comparanten aan haar egter oijt eenige kwaadaardigheijd off dieffagtigheijd hebben bespeurt, off geduurende den tijd dat gemelde Jennemie van Rijsingen alhier gewoond heeft selfs daar van nimmer hebben gehoord.'

 

Smid Joris Donckers verklaarde dat de vader van Mie enkele maanden geleden bij hem een ijzer had besteld om om haar been te doen,' ten eijnde die kenbaar soude weesen soo sij mogt wegraken. Van welke Jennemie hij comparant meermaele gehoord heeft dat deselve niet wel by sinnen was. Dat hij comparant het selve eyser heeft gemaakt in dier voege dat het om een been kon toegeslooten worden en niet anders geopent dan door middel van een schroeff bij wijse van een sleuten en dat hij comparant op dat eyser heeft gehakt off gekapt het woord Veghel, synde voorts het selve eijser niet geschikt om daer aan iemand vast te leggen.'

 

 

De gekkekooien

 

Uit de Veghelse dorpsrekeningen:

 

-         1780-1781: Betaelt volgens ordonanie en quitantie aen Willem Nauwens, timmerman, voort leveren van planke, paelen, gehengen, krammen, nagels en arbeytsloon van een hek off koy om een simpel vrouwspersoon welke van den arme wierdt onderhouden op te sluyten en te bewaren, alsoo van tyt tot tyt weg liep en boosaardig was, synde genaemt Jenneke Janse Vervoort, en by een ingesetene alhier was besteedt onder conditie van de koy of hok te moete laete maken, te samen 18-4-0

-         1785-1786: Volgens ordonantie en quitantie betaelt aen Willem Nauwens, timmerman, voort maken van een hock of koij voor een kranksinnig geworde arm vrouwspersoon

-        1792-1793: Volgens ordonantie en quitantie betaelt aen Hendrikus Nouwens, meester timmerman, voort opreparere van de gekke koij en planken, palen en reygeld daer toe gelevert, bank in de school en kisjes om de linde bomen voor de pastorije, samen 6-12-8

-        1783-1794: Op pagina 40 van de voorige rekening remarque de Leen en Tolkamer synde: ten naaste te melden wat door de gekke kooij in textu gemeld verstaan word en waer toe deselve diend, dient tot opheldering van de remarque dat men het niet anders weet uyt te drukken dan een gekke kooij welke aan de gemeente hoord en dient om gekke in te setten.

 

Dus een kooi om gekken in te zetten. Wim Cornelissen vond een bestek voor het maken van zo'n gekkekooi te Dinther. Aan de hand van dit bestek maakte Tinus Rovers van het Streekarchivaat Langs Aa en Dommel een reconstructietrekening van deze kooi.

 

 

In 1773 werd in Dinther opnieuw een kooi aanbesteed met dezelfde buitenmaten,  om daarin op te sluiten den sinnelozen Johannes van Schijndel'. De toegangsdeur moest één voet hoger zijn en er werd dit keer een bedstee en secreet ingebouwd. De Veghelse kooi zal daar wel veel op geleken hebben, of hetzelfde zijn geweest. Er was geen licht of luchtverversing en nauwelijks bewegingsruimte. Ook in andere plaatsen in de regio werden krankzinnigen in hokken opgesloten, zoals Andries van Grinsven te Heeswijk in 1779, wegens kwaadaardigheid die dagelijks toenam en vanwege zijn dreigementen om huizen in brand te steken. In Erp treffen we in 1786 Catharina Deckers aan, geboren te Lieshout, die in een hok moest worden opgesloten wegens kwaadaardigheid en dreigingen en vanwege het gevaar 'sig om hals te willen brengen'.

 

Cornelissen schrijft: 'Verzoring van geestzieken was in het Ancien Régime op de eerste plaats een zaak van openbare orde en niet zozeer van openbare gezondheid. Krankzinnigen weren geweerd en opgesloten, ter bescherming van de bevolking.' Deze bewering wordt tegengesproken door de gegevens uit de Veghelse archieven. Zo zat de wereld niet in elkaar. Geestelijk gehandicapten werden in de eerste plaats verzorgd en beschermd. Alleen in uitzonderlijke gevallen, wanneer er gevaar voor anderen dreigde, ging men over tot afzondering en opsluiten.

 

Bronnen: naast gegevens uit het Veghelse archief is ook gebruik gemaakt van: W. H. Cornelissen, ‘Krankzinnigenzorg in de 18e eeuw. Een bestek uit 1721 voor een dolhuisje te Dinther’, Brabants Heem 40 (1988) 76-81.

 

 

Reactie van Hans van den Broek d.d. 20 augustus 2014 op dit stuk:

 

Van Antoon Vissers kreeg ik je tekst over de zwakzinnigen en dementen en op het allereerste stukje tekst wil ik alvast reageren. Het is om te beginnen, althans wat mij betreft, een mooie vondst.

 

Eerst jouw tekst: Schepenen en armmeesters van Veghel verklaren 'dat Jan Teunis van den Oever, getrouwt met Peerken, dogter Jan Jan Teunis en inwoonder deser plaetsen, sijnde eerlijcke ende vrome luijden in handel, wandel ende omganck, onbesprooken van leven, hebbende vier onnosele kinderen, de welcke geraeckt is tot groote armoede, overmits dat sijne voornoemde vrouw bedde vast leijt ende seer miserabel haer aengesigt van de kancker, ofte andere zeere, wort ingegeten, en door quaet vlees verteert wordt, waerdoor sij haer eene oogh al heeft verlooren en al meerder ende meerder het aangesigt wort afgegeten, den welcke door sijne groote armoede .... etc

 

Peerken heeft kanker in haar gezicht en haar gelaat wordt hierdoor opgevreten. Dit is echter geen kanker zoals wij die kennen maar een aandoening die typisch is voor bevolkingsgroepen die slecht gevoed worden met een dieet waarin nagenoeg geen eiwitten en met name geen vitamine C zit.

Na een voorafgaande infectie door bijvoorbeeld mazelen begint de “kanker” met een klein wondje in de mondhoek en van daaruit vreet de wond zich alsmaar verder. Het is dus een infectie die niet stopt door gebrek aan afweerstoffen.  Meestal worden vooral kinderen erdoor aangetast. Het Nederlandse woord voor deze ziekte is waterkanker, vanwege de grote speekselvloed die erbij optreedt. In geneeskundige termen heet het “noma” en komt in bijvoorbeeld Afrika nog veel voor. Ik had in Nederland enkele voorbeelden uit Twente en Friesland en kan er hier nu een uit Brabant aan toevoegen. Je hebt geen idee hoe lastig het is voorbeelden van dit soort ziektes te vinden die waarschijnlijk toch vaak zijn voorgekomen. Daarnaast moet opgemerkt worden dat het jaar 1697 een jaar met hongersnood was. De voorafgaande jaren 1693, 1694 en 1695 kenden ook al hongersnood en dus zal de voedingstoestand van Peerken niet al te best geweest zijn. Verder is mij uit andere litteratuur bekend dat moeders van een gezin vaak het meest te lijden hebben van tekort aan eiwitten en vitaminen omdat ze het beste voedsel aan hun kinderen en echtgenote geven. Ze sparen het zichzelf als het ware uit de mond. Dat kan hier dus ook nog meespelen.

 

De sterfte aan deze waterkanker is overigens liefst 90%. Als je (vieze) plaatjes van deze ellendige ziekte wil zien: google op noma onder afbeeldingen. In mijn boek over genezingen van wonderen (dat binnenkort uitkomt) heb ik er ook enkele voorbeelden van in staan.

 

Overigens vind ik dat je een fraai en feitelijk overzicht en inzicht geeft over de omgang met zwakzinnigen en dementen. Jouw ideeën hierover kan ik volledig onderschrijven. Ik hoop dat mijn bijdrage een kleine stukje van de 17e eeuwse sluier voor je oplicht.

 

Hans van den Broek